GERONIMO!

In deze inleiding bespreek ik de autobiografie van de native American Geronimo[1] (opgeschreven door S.M. Barret). Ik gebruik de methode van Smith en Watson[2] om de autobiografie te bespreken en Mieke Bal[3] om de rol van het herinneren te benadrukken.

Het genre autobiografie was in 1905 een typisch Westers verschijnsel, opgekomen tijdens de Verlichting. Het is aannemelijk dat Geronimo onbekend was met dit fenomeen, dat inmiddels in het Westen canoniek is geworden.[4] Geronimo komt uit een orale en collectieve traditie. In de autobiografie moest hij individueel een schriftelijke bron scheppen. Geronimo besloot zijn verhaal te ‘vertellen’. Barret schreef, redigeerde en overlegde hierover met president Roosevelt. Zo bezien is dit een situatie waarin Geronimo geen grip heeft op het resultaat van zijn eigen stem.[5] Sterker nog: Geronimo kan zijn eigen werk niet lezen en weet niet precies hoe het werk zal verschijnen. Geronimo heeft zijn stem gegeven aan een vorm die hem onbekend is, zonder inzicht in de literaire wereld en de publicatie. Hij geeft dus slechts zijn verhaal, en wordt een authentieke stem ontzegd.

Deze autobiografie is een representatie van Geronimo’s herinnering. Het Westen leest vaak door de ogen van de westerling over indianen. In dit geval wordt de indruk gewekt dat we door Geronimo’s ogen kijken, maar daar zit de stem van Barret tussen. In deze bron wordt Geronimo in de titel, de foto’s en de hoofdstukken naar voren gebracht als de spreker, maar in de context wordt duidelijk dat Barret ons vertelt hoe wij Geronimo’s verhaal moeten lezen. Deze presentatie wordt beheerst en gecontroleerd in de inleiding, de verantwoording, de eindnoten en door de verteller, de schrijver en de president.[6] Wellicht is het onmogelijk om het beeld van de Ander volledig ‘authentiek’ te lezen, maar is het extra gevaarlijk wanneer we de suggestie krijgen van authenticiteit, wanneer dit niet het geval is.

De taak van het postkolonialisme is om deze representaties te bekritiseren, of zoals Mieke Bal stelt: ‘We invoke the discourse of cultural memory to mediate and modify difficult or tabooed moments of the past.’[7] Hierbij moet gekeken worden naar wie het herinneren doet. Wie is dominant en beoefent de activiteit van het herinneren? In dit geval oefenen de Amerikaanse overheid en S.M. Barret een grote invloed uit op de representatie van de herinneringen van Geronimo. Dit besef, en daarbij speelt ‘authenticiteit’ dus een grote rol, is belangrijk voor de cultuur waarin de herinnering gedaan wordt en plaatsvindt.[8]

[1] Geronimo was een apache-chiricahua wiens autobiografie in 1905 is gepubliceerd in samenwerking met S.M. Barret, onder eindredactie van president Theodore Roosevelt.

[2] Sidonie Smith en Julia Watson, ‘Life narrative: definitions and distinctions. Autobiographical subjects’ en ‘A tool kit: twenty-four strategies for reading life narrative’ in: idem, Reading autobiography. A guide for interpretating life narratives, (Minnesota 2001) 1-14, 15-48 en 164-179.

[3] Mieke Bal, ‘Introduction’ in: Mieke Bal, Jonathan Crewe en Leo Spitzer red., Acts of memory. Cultural recall in the present (Hanover 1999) vii – xvii.

[4] Sidonie Smith en Julia Watson, ‘Life narrative’ en ‘A tool kit’ (Minnesota 2001) ) 1-14, 15-48 en 164-179., aldaar 3

[5] Ibidem, 45

[6] Ibidem, 178

[7] Mieke Bal, ‘Introduction (Hanover 1999) aldaar vii.’

[8] Ibidem, xv

Literatuur

Bal, Mieke, ‘Introduction’ in: Mieke Bal, Jonathan Crewe en Leo Spitzer red., Acts of memory. Cultural recall in the present (Hanover 1999) vii – xvii.

Geronimo & S.M. Barrett, Geronimo’s story of his life (zp 1905).

Hall, Catherine, ‘Introduction: thinking the postcolonial, thinking the empire’, in: Cultures of Empire. A reader. Colonizers in Britain and the Empire in the nineteenth and twentieth centuries (Manchester 2000) 1-36.

Smith, Sidonie en Julia Watson, ‘Life narrative: definitions and distinctions. Autobiographical subjects’ en ‘A tool kit: twenty-four strategies for reading life narrative’ in: idem, Reading autobiography. A guide for interpretating life narratives, (Minnesota 2001) 1-14, 15-48 en 164-179.

Advertenties

Joe en het Einde

6

Aan tafel moest Joe denken aan een ander schilderij, een van de weinige die hij eerder had gezien, hij wist niet meer waar, ook niet dat het ‘de aardappeleters’ heette, maar het tafereel in het Berghof had er iets van weg, vond hij. De halfzuster schepte hem met tegenzin een tweede portie op, en Hitler brak zijn hoofd over zijn gast Joe, wat moest hij met hem? Hij kon hem laten logeren, maar dan? Wat zou er de volgende dag gebeuren? En wat als Hitler weer naar Berlijn moet, naar zijn bunkertje, om de wereld te verschonen, wat dan? Tja.

Joe lag op de bank en Hitler met zijn halfzuster in bed en deze vrouw probeerde Hitler te overtuigen dat Joe naar een kamp moest want zij had wel gezien wat er allemaal aan hem mankeerde. De führer was ook maar een mens, dat gaf niets, maar hij kon niet plots erbarmelijk worden aangaande zo’n verderfelijk schepsel. Hitler wilde kwaad worden, maar voelde haar hand op zijn hart, en bedaarde. Ze vielen in slaap.

Ondertussen was Joe nog wakker. De hond lag iets verderop en snoof onrustig. Waarom kan dat beest niet rustig slapen als een normaal dier? Waarom moest het zo verschrikkelijk dom zijn? Nog een uur ging voorbij en Joe werd krankzinnig. Voor de hond het doorhad, normaal rook hij een jood op een land afstand, voelde hij twee blanke negerhanden om zijn hondenkeel, en Joe kneep hem langzaam dood. Een kort gejank kwam nog uit zijn mond, maar Hitler en halfzuster sliepen door, en even daarna kon ook Joe eindelijk de slaap vatten.

Hitler kwam in de ochtend volledig aangekleed en opgemaakt de trap af en zette nog voor het ontbijt Wagner op. Hij hield zijn ogen een paar tellen dicht, knikte vriendelijk naar Joe, liep naar zijn hond om het te aaien en te zien dat het een lijk was.

EINDE

Joe & de schilderkunst

5

Hoe konden Hitler en Joe elkaars enthousiasme delen? Hitler hief zijn vinger in de lucht, wat betekende dat Joe een tel moest wachten, en liep weer naar binnen. Hij kwam terug met nog een schildersezel en onbevlekt linnen. Joe gloeide op, hij mocht ook iets maken, hij mocht ook de wereld schilderen, ja!

Joe gebruikte kwasten van Hitler, ze roerden in hetzelfde potje, en de schaduw van de lindeboom rustte op hen. Hitler zag hoe Joe verf op een van zijn kwasten spoot, als op een tandenborstel, en hielp hem een palet te maken. Hij rangeerde het palet van licht naar donker, van koud naar warm, met wit en blauw voorop, om een mooie lucht te maken. De halfzuster keek met achterdocht naar de twee schilderende mannen, het was wat haar betrof geen gezicht, de kleine man naast de albino-neger, en ze begreep niet waarom ze zo gelukkig waren.

Hitler maakte een gebaar naar Joe dat hij kon beginnen. Hij keek hoe Joe de haren van de kwast door de verf haalde en in één beweging naar het doek bracht. Een streek groen belandde op het wit, de verf was dik en krulde op aan weerskanten van de kwast, en Joe voelde iets in zijn lichaam wat voorheen alleen muziek kon doen. Hitler schrok van de gulzigheid van Joe, glimlachte voorzichtig en zette zich weer aan zijn eigen werk. Zelf was hij bezig een kronkelriviertje zo geloofwaardig mogelijk neer te zetten en worstelde met het perspectief van een blokhut verderop. Zijn compositie was weloverwogen, de vlakverdeling min of meer in evenwicht, de kijkrichtingen zeer aangenaam. De toets van Hitlers verf was nauwelijks zichtbaar, alsof hij met grote zorgvuldigheid de stof van de vallei op zijn doek moest aanbrengen, omdat anders alles zou vergaan. Hitlers doek sprak rust uit, vrede zelfs, en een tikkeltje liefde. Hij hoefde er nog maar weinig aan te doen voordat het werk zou zwijgen, zo stil was het. Hij ging op in zijn details, waar hij voldoening uithaalde, en pas na weer tien minuten staren in het pigment zag hij wat Joe uitspookte.

Joe’s doek was een waar slagveld. Het deed Hitler denken aan de loopgravenoorlog. Joe’s albino-ogen zagen geen geen details in de vallei, het waren vlekken, het licht prikkelde zijn ogen, en zijn hand-oog-coördinatie was een ramp, hij had groen gesmeerd waar lucht hoorde, hij had wolken geschilderd die er niet waren, hij had de berg een soort oog gegeven, maar het kon van alles zijn, het doek schreeuwde, donkerblauwe en donkerbruine lijnen maakten het tot een hel, het landschap was een skelet geworden, de vrede die daarvoor nog in de lucht hing werd een catastrofe.

Joe had plezier, Joe schilderde plezier.

Hitler was woedend. Hoe durfde deze voorbijganger zijn linnen te besmeuren met entartete kunst! Vuige, moderne rotzooi, vlak naast zijn eigen meesterwerk, duister miserabilisme waar reinheid hoort! Hitler stampvoette in het gras, Joe schrok, van niets ontaards bewust, maar had door dat zijn gastheer ontevreden was. Hij smeerde vlug met de rug van zijn hand over het doek, de grootste verfophopingen veegde hij waar nog wit te zien was, in de hoop het zo goed te maken, maar het werd alleen maar erger. ‘Deze barbaar denkt zelfs geen kwast meer nodig te hebben,’ sliste Adolf, ‘wie denkt hij wel dat hij is?’ en zijn vingers verkrampten, en voor hij over wilde gaan op de gebruikelijke tucht zag hij een traan over Joe’s wang rollen. Joe kon niet tegen ondoorgrondelijke conflicten, en veegde driftig over zijn doek, en wilde het werk het liefst met lijst en al kapot maken, in elkaar drukken, uit elkaar scheuren, maar Adolf kreeg medelijden met hem en legde een gestrekte hand in een hoek van vijfenveertig graden op zijn schouder. Ze kwamen tot rust.

Hitlers hond kwam dichterbij, hij zat aan een touw maar had speling genoeg, en Adolf aaide hem. Hij wilde dat Joe de hond ook zou aaien, maar Joe durfde niet. Joe dacht weer aan de schilderijen waarop de hond geportretteerd stond, met ontblootte tanden, en een rilling rolde over zijn witte huid. Zijn hoofd was volledig leeg, hij dacht niet aan de halfdode en gedeeltelijk weggevoerde zigeunerfamilie, hij dacht niet aan zijn vader in de Slowaakse Republiek, wist hij veel, hij had geen herinneringen aan zijn vader, hij wist niet dat zijn vader hem niet wilde omdat hij zo bespottelijk mislukt was, dat vader bang voor de duivel was geworden door zo’n demonenkind, nee, Joe had nergens last van. Zijn hoofd was telkens om de zoveel dagen weer een onbeschreven blad.

Hitler zag dat Joe de hond niet wilde aaien en niet meer op zijn doek was geconcentreerd, en hij vroeg zich af wat er met deze witte neger aan de hand kon zijn. Wat was dit voor man? Hitler had nog nooit zo’n exemplaar gezien, hij kon ‘m moeilijk plaatsen, zijn afkomst was een raadsel. Kon hij maar met hem communiceren! Hij voelde liefde voor Joe, gebaarde naar hem dat ze een stukje moesten wandelen en Joe volgde braaf.

Tijdens de wandeling vroeg onze gehandicapte held zich af wie deze charismatische, gepassioneerde man is. Iets in dit goed verzorgde mens trok hem aan. Hij wilde hem niet aanraken, de affectie was niet lichamelijk, maar hij voelde zich simpelweg veilig bij hem. Trots vaderfiguur Adolf stapte vrolijk voort over de bospaadjes, niet wetend hoe erg de wereld in de fik stond, in feite net zo in zichzelf gekeerd als onze verloren negerzoon, en langzaam viel de schemering in het avondland. Ze trokken terug naar de Berghof voor een stamppot zuurkool.

 

Joe & Hitler

4

Grote bergen omringd door groene velden. Joe volgde de dunner wordende rijen met bomen en besloot verderop in het gras te liggen. Na een therapeutisch dutje stond hij op, ving een konijn, een rat en een vogeltje en at ze op, nadat hij ze kort in een vuurtje had gehouden. Vervolgens viel hij in slaap tot de volgende dag.

Hij werd wakker, stond op en begon te lopen. Het leek alsof hij de familie totaal was vergeten, de nieuwe dag scheen hem toe als de eerste van zijn leven. De wandeling deed hem goed en de schaduw was prettig, het werd herfst. Hij liep naar een hoger gelegen heuvel en hoorde geblaf. Een herdershond kwam in grote snelheid op hem af en sprong grommend tegen hem aan, ze sloegen beiden tegen de grond, en Joe schrok zich wezenloos, wat haatte hij deze beesten door en door, en waar kwam deze nou weer vandaan, en hij wilde de hond doodknijpen, en vlak voor hij zijn handen om de kwijlende terrorsnuit kon vouwen kwam het baasje aangesneld.

In Oostenrijks kostuum inclusief hoog opgetrokken sokken en voorzien van een fris kapsel voor dit tijdstip in de ochtend, was daar onze Adolf Hitler. Adolf floot hijgerig de hond terug en liep op de liggende Joe af. De führer had medelijden met de albino-neger, hij lag daar zo zielig op de grond, zijn rode ogen vol tranen, en hij hielp hem overeind.

‘Hij moet je geroken hebben,’ zei hij in zijn zachtste Duits, ‘hier komen weinig mensen, en vooral niet excentrieke figuren zoals u.’

Joe verstond er geen kloten van.

‘Komt u met me mee,’ en Hitler maakte een uitnodigend gebaar.

Ze liepen naar Hitlers woonhuis, de Berghof op de Obersalzberg, want daar waren ze, en Hitler lijnde zijn hond aan een langs de muur. Joe durfde de hond niet meer aan te kijken. Op het wandelpad om de hoek stond een schilderezel en andere materialen, en Joe volgde Hitler naar binnen. Binnen waren er houten wanden met daaraan veel kunstwerken, variërende van Rembrandt tot Rubens, maar ook Hitlers eigen werk, portretten van zijn herdershond. Joe zag de platenspeler in de hoek en wilde dolgraag weer jazz horen, maar wist niet of Wagner (hij kon met moeite kleine woorden lezen), wel jazz maakte. Hitler pakte een glas water voor zijn gast en liet zijn halfzuster een stevige boterham bereiden. Joe glunderde, verrukt over deze godenmaaltijd, en at als een kind zo gulzig. Hitler en de halfzuster glimlachten.

‘Ik ga weer verder,’ sprak Hitler, op weg naar zijn schildersezel, ‘laat jij de jongeman straks weer verder?’

De halfzuster knikte gedienstig. Joe at gulzig en pakte nog meer brood van het aanrecht en schonk zichzelf nogmaals in en de halfzuster vond hem overduidelijk eng en bespottelijk en goor en afzichtelijk en wanstaltig afschuwelijk onverdraaglijk lelijk en deed een stap achteruit en wuifde hem na zijn laatste hap weer weg, een gebaar waarmee ze ook een onaangename geur zou wegwapperen, en Joe keek haar aan, onbegrijpend, en stond op. Hij wist niet wat ze wilde, maakte zich er verder niet druk om en liep naar buiten om te kijken wat de vriendelijke man aan het doen was.

Joe ging achter Hitler staan en keek met hem mee terwijl Hitler de kwast zenuwachtig maar beheerst over het linnen streek, het groen zacht tegen het blauw afzette, precies het landschap makend zoals Joe het ook zag. Joe was verblijd, er was iemand die net zo naar de wereld keek als hij deed.

Hitler zag de plotse euforie bij de vreemde wandelaar en keek grijzend over zijn schouder. Joe stond met zijn mond open te springen en balde zijn vuisten en wierp ze in de lucht en deed een dansje die hij anders alleen deed door opzwepende jazz, en Hitler dacht, ‘godzijdank, zie je nou wel, ik heb iets fantastisch gemaakt.’

Hitler legde zijn hand op Joe’s schouders (er kwam geen verf op zijn kleren want Hitler werkte zeer netjes), en vroeg hem wat er zo fantastisch was aan zijn werk. Joe keek hem stomverbaasd aan, en Hitler begreep dat Joe geen Duits kon, hij was een buitenlander, maar ach, waardering is waardering.

Joe en de Duitsers

3

Dat Joe plots vegetarisch werd, was een groot probleem. Er was alleen vlees, en hier en daar verlepte bosvruchten, maar verder niets. Brood, fruit en groente hadden ze al tijden niet meer gezien. Het hert was veel te groot voor het gezin en hoe gulzig ze ook aten, ze moesten een groot gedeelte achterlaten, want ze konden geen grote hompen vlees meezeulen. Het paard wilde geen half geraamte op zijn rug. Elke dag zouden ze een dier moeten doden, en ze moesten een oplossing vinden om Joe daarvan te voeden.

Ze hoopten dat Joe de volgende dag alles was vergeten, maar in tegendeel. Joe was, met het hoofd dat hij had, gaan nadenken. Hij wilde niet alleen geen vlees meer, hij weigerde alles wat uit het bos kwam. Ook hoefde hij geen water meer. Alles in de natuur moest blijven zoals het was, en Joe had niets nodig. Voor het eerst sinds de oorlog was Joe een grotere zorg voor de familie dan de Duitsers waren.

Ze hadden overigens het onwaarschijnlijke geluk dat ze nergens Duitsers tegenkwamen, en slechts de sporen van en verhalen over deze verschrikkingen meemaakten. Uiteengescheurde families, platgebrande dorpen, opgehangen verraders, doffe ellende. Joe had er geen oog voor, en ze vermoedden dat hij naast alles ook nog kleurenblind was, want Joe gedroeg zich alsof de lucht nog blauw was en het gras nog groen en de mensen nog bloosden.

De intellectueel was geschokt door Joe’s plotselinge vegetarisme. Hij moest lachen om de absurditeit, en had gedacht dat het snel zou veranderen, maar de absurditeit bleef. Vader en dochter schudden hun hoofd, en tenslotte ging moeder met hem praten.

Ze wilde niet vertellen wat ze gezegd had, ze glimlachte bescheiden, maar die avond at Joe weer mee.

Ze kwamen op een punt dat ze geen andere mogelijkheid zagen, ze maakten een plan om helemaal naar Salzburg reizen, om vanaf daar de trein naar de Slowaakse Republiek te nemen, via Wenen naar Bratislava en verder. Het was gevaarlijk, omdat ze dan dichtbij Duitsland kwamen, maar Duitsland was overal, en het was de enige manier waarop ze zo lang mogelijk in de bossen en de bergen konden reizen. In de trein zou Joe misschien veilig zijn, al is de trein niet de veiligste manier om te reizen voor een zigeunerfamilie met een Joodse albino-neger.

De reis liep wonderbaarlijk voorspoedig en Joe hielp weer met jagen en ving dieren met zijn blote handen en lachte terwijl hij ze stuk maakte en bracht ze vrolijk naar de familie. Hij vond het ook leuk om het vuur op gang te krijgen en de ingewanden uit het dier te trekken. De familie hoefde steeds minder te doen, vader en moeder hadden zelfs tijd over om met de kindertweeling te spelen, die de aandacht wel konden gebruiken. De intellectueel schreef bij dag – en vuurlicht in zijn al overvolle notitieboekje, de dochter zwom in elk meer dat ze tegenkwam, al had moeder haar verboden zo onvoorzichtig te zijn, maar het was alsof engelen de omstanders op afstand hielden. Ze zagen zelfs nauwelijks burgers of andere vluchtenden. Ja, hier en daar in de verte, tekenen van leven, van angst, soortgelijke situaties als die van hen, alleen dan zonder albino-negers. Het leek alsof de wereld vergaan was, maar er waren nog geluiden, en sommige lijken die ze troffen waren nog vers, maar niets zou ooit meer hetzelfde zijn. Moeder dacht terug aan hun oorspronkelijke zigeunerkamp, een kamp van zeventig man met dagelijkse bijeenkomsten en vele feestjes. Dat was voorbij. Ze speelden zelfs geen muziek meer, al droeg de dochter haar viool nog een lange tijd mee, tot ie in het vuur ging. De intellectueel speelde af en toe op zijn mondharmonica, en de tweeling trommelde op elkaar, maar Joe kon het niet aan (het leek in de verste verte niet op jazz), en sindsdien maakten ze geen muziek meer.

Pas in het Wenger Wald ging het mis. Het was niet ver meer naar Salzburg, maar helaas, een leger aan SS-ers, daar waren ze dan, strak aan de amfetamine-tabletten, gewapend met tanks en vlammenwerpers, en vanaf hoger land waren ze al te zien, nog geen tweehonderd meter verderop, en ook te horen, want ze zongen uit volle borst om elkaar wakker te houden en het eeuwige rijk te vieren. Vader en moeder schrokken zich wezenloos, het pure ras plots zo dichtbij, en de kinderen waren zich nog van geen gevaar bewust, en Joe had er sowieso niets van meegekregen, maar moeder slaakte een kreet, en vader stond verstijfd, starende naar het naderende onheil. Het was het paard dat hen verried. Het dier steigerde en hinnikte, waarschijnlijk rook hij het gevaar, en ondanks het Duitse gezang en de rijdende tanks hoorden de Duitsers het gehinnik. Vader liet het paard los en het schoot ervandoor. De tweeling die erop zat viel er af, eentje in het gras en de ander met zijn hoofdje op een steen. Paniek. Joe bleef een tel staan, de verschillende interpretatiemogelijkheden sloegen hem lam, dit had hij nog nooit gezien, en moeder rende naar het jongetje dat op de steen viel, en vader hielp de in het gras liggende kind weer overeind, die over zijn knie wreef, en keek toen naar het kindje dat met zijn hoofd op de steen viel, die gilde als een gemartelde, en dat hielp niet mee, want de Duitsers kwamen hun kant op. Moeder stelpte de wond, bloed was overal, en vader hield zijn hand voor de mond van het kind. De zus klampte zich aan moeder vast, samen zaten ze over het kind gebogen, en de intellectueel keek om zich heen, zoekend naar een uitweg. Maar de Duiters waren inmiddels nog geen voetbalveldlengte van hen vandaan, en vluchten had geen zin, ze moesten zich overgeven. Er klonkt een knal, en de intellectueel zag hoe een SS-er hun paard in de heup had geschoten, en even later klonk er nog een, het paard was dood. Joe schrok en besloot weg te rennen. De intellectueel zag zijn witte huid en witte haar door de bomen schieten, en Joe verdween uit het zicht. Het kind stopte met huilen, en toen de ouders omhoog keken stonden de Duitsers voor hun neus. De SS-ers, wakker en strak in vorm, keurig in oorlogspak, grijnsden bij deze fijne vondst. Vader en moeder tilden allebei een kind op. Vader hield zijn hand van het kindermondje en moeder bleef de wond deppen.

De Duitsers vroegen lachend (in het Duits) of de familie soms op vakantie was richting Duitsland. De familie zei niets terug. Ze vroegen of er nog meer van hun soort hier rondliep. De intellectueel kon Duits, hij had Kafka, Dostojevski en Nietzsche in het Duits gelezen, en antwoordde dat er verder niemand was. Hij had kunnen zeggen dat er nog een Joodse albino-neger rondliep, maar ach. De leider van de SS-ers, gehuld in een mooie lange jas, liep naar de ouders en aaide het jongetje zonder bloed over het hoofd. Hij keek de vader aan, maar de vader bleef naar de grond kijken. Deze Sturmbannfuhrer tilde met zijn wijsvinger het hoofd van vaders zigeunerhoofd op, pakte zijn pistool en schoot hem door het voorhoofd. Vader zakte door zijn knieen en moeder gilde en viel op de grond naast hem neer en samen met de kinderen vormden ze een zielig groepje. De manschappen barsten in lachen uit. Moeder kreeg een kogel in haar achterhoofd en het gezonde kind werd aan iemand in een jeep gegeven, samen met de dochter, die wilde slaan en krabben en bijten, maar de amfetamine-verslaafde sturmmannen pakten haar stevig beet en bonden haar zo vast dat ze het kind kon vasthouden maar verder niet kon bewegen. De intellectueel stond erbij alsof hij al dood was, er waren altijd duizenden gedachten, maar zijn hoofd faalde nu, juist nu het erop aankwam, hij kon zich niet tegen het kwaad verzetten, noch iets goeds doen, hij kon zich slechts overgeven. Hij liet zich als een zak aardappelen beetpakken en werd door een opengeslagen zeil een konvooiwagen ingegooid. Het kind met de wond lieten ze achter, die zich overigens al niet meer bewoog.

Joe stond ondertussen met zijn enkels in de Weissenbach, zonder te weten dat het zo heette, en wist zich geen raad met de nieuwe wereld, waarin geen familie meer was, maar slechts een dood paard en gemene mannen, en hij wilde niet meer, hij wilde weg, stoppen, ophouden, en hij sloot zijn ogen. Hij hield zijn ogen zeker een minuut stijf op elkaar en concentreerde zich op het water dat tegen zijn enkels en in zijn schoenen liep. Het water was koud en dat was prettig. Na de minuut opende hij weer zijn rode ogen, het verse licht deed hem duizelen, en hij merkte dat hij in de zon stond, hij werd zwak, en even dacht hij dat hij moest huilen, maar ontdekte plots dat hij honger had. Hij stak de rivier over waar het gemakkelijk kon en liep verder in de richting die hem het beste leek.

 

Joe in Slovenië

2

Ze hielden links aan omdat links de bossen dikker waren, maar ooit moesten ze naar rechts, want Slowakije lag rechts. In Slovenië leek het nog alsof ze rechtstreeks Duitsland binnen reden, alsof een magneet hen daarheen trok, maar het oosten van Slovenië bestond uit maisvelden, en was daarmee simpelweg onmogelijk, ze durfden de gok niet te wagen in het open veld en de genadeloze zon. Het groene westen van Slovenie, waar de bergen van Oostenrijk uitmondden, vormde een veilig gebied voor deze mensen die zich als dieren konden gedragen, want de Duitsers hadden een hekel aan de riviertjes, insecten en kronkelpaadjes.

De bergen werden groter en Joe en zijn nieuwe familie moesten de kar achterlaten om alleen met het paard verder te gaan. Joe liep zoveel mogelijk in de schaduw, de kleintjes zaten op het paard, de bepakking hing ernaast en ze stapten moedig door. Joe tilde indien nodig de tweeling over een rivier of een bospad waar zelfs het paard moeite mee had. In de verte drongen af en toe geluiden van gevaar tot hen door, en hier en daar kwamen ze langs verschraalde grond. Ze vonden platgebrande huizen en allen wisten ze hoe een levensloos lichaam eruitzag, maar zelf hadden ze niets te lijden. Vader ving konijnen en soms zelfs een hert, kapte hout, stookte vuur en moeder bereidde het eten en zorgde voor de kinderen. Joe speelde vaak verderop. Hij kon helpen om een dier te vangen, hij was verdacht sterk voor een albino, sterk genoeg om een hert te wurgen, maar niet voorzichtig, dus vader vroeg hem nooit mee.

In de nacht ontdekten ze dat Joe een uitstekend wachter bleek. Vader stond vaak ’s nachts op de uitkijk, bewapend met zijn dolk en jachtgeweer, en Joe kwam hem steeds vaker gezelschap houden. Hij had weinig slaap nodig en werd rustig van de sterrennachten en het stille bosleven. Niets ontging hem. Vader had moeite wakker te blijven, maar Joe leek geen moment te verzwakken. Vader durfde nog niet naast zijn vrouw te slapen, maar deed wel af en toe een oogje dicht, en vertrouwde steeds meer op Joe. In een man – op – man gevecht zou vader meer kans maken, begaafd vechter dat hij is, maar Joe zou elke Duitser kunnen fijnknijpen, als hij maar begreep wat de bedoeling was.

Wanneer het kampvuurtje bijna doofde lag de rest te slapen en keek vader naar Joe. Op die momenten leek Joe net een prehistorisch fabeldier, zijn witte huid flakkerend door het vuur, zijn negeroide lichaamsbouw in volle proporties, zijn witte haren als lianen langs zijn nekspieren, zijn haakneus als een adelaar, en als Joe zo stil zat leek hij niet simpeltjes acht jaar oud, en ook niet zijn ware tweeëndertig, maar onsterfelijk.

Zijn moeder had jaren geleden opgemerkt, vlak na het einde van de eerste wereldoorlog, toen Joe’s lichaam zich begon te ontwikkelen, dat zijn voorkeur uitging naar jongetjes. Tijdens het spelen zorgde dit voor onwenselijk situaties, en Joe’s moeder moest de regels vaak herhalen. Joe luisterde altijd naar zijn moeder, onwetend over het begrip ‘voorkeur’, maar bleef naar jongetjes kijken, en ze soms ook aanraken. Ze had het de zigeunerfamilie niet verteld, ze wisten van niets, en lieten Joe rustig hun kinderen tillen en de hele nacht naast vader zitten. Er was niets mis mee. Waar ze eerst dachten dat het een zware last zou zijn om Joe mee te nemen (het kwam voort uit een exorbitante vriendenliefde), waren ze nu dankbaar dat ze het gezelschap van de reus deelden. Ze wisten dat ze bij een aanhouding van een patrouille naar een werkkamp moesten, met of zonder de reus die, volgens het fascistisch regime, wel zeven doden moest sterven. Maar Joe had geen idee van werkkampen, laat staan vernietingsovens, en stierf geen enkele dood.

Na een dagenlange reis sloegen ze kamp op bij Bohinjsko jezero, een groot meer met een klein dorpje, omgeven door bergen en bossen in het hart van groen Slovenië. Ze liepen door het bos en keken uit over het heldere water, waar nog nooit een motorboot had gevaren, en Joe keek zijn ogen uit. Onderweg leerde hij de kinderen kennen. De dochter was negentien, de zoon daaronder zeventien en de tweeling was acht. De dochter was zwijgzaam en hielp moeder met de zorg, de oudste zoon een bedreven intellectueel, ook tijdens de reis, en de tweeling was simpelweg jong. Joe speelde het meest met de tweeling, die telkens om hem heen hingen, en soms lachte hij hard naar de intellectueel, omdat de intellectueel altijd zo moeilijk uit zijn doffe ogen keek, en de intellectueel wist niet hoe hij op de gehandicapte albino-neger moest reageren. Hij bezat geen antisemitische of racistische of eventuele homofobische gevoelens, maar hij kon simpelweg niet reageren op iemand die zo weinig verstand bezat. Joe kreeg er niets van mee en omhelsde hem wanneer hij daar zin in had. Moeder kon erom lachen. Joe gaf niets om het meisje, en ook al had ze graag voor hem willen zorgen, hij had er geen behoefte aan.

Op het moment dat het rantsoen opraakte, want al was er voldoende water in de bergstreken en bij het meer, het leek wel alsof alle dieren waren geëmigreerd, vroeg vader Joe toch maar mee om op jacht te gaan. Wellicht dat het iets zou opleveren.

Vader zette een later de vallen waar het hem handig leek en hield halt bij een plek waar hij uitzicht had op een open stuk in het bos. Hij maande Joe stil te zijn, en Joe begreep de boodschap. Het was bijna donker, hij was gewend stil te worden. Joe dacht dat ze hier de wacht moesten houden, dus toen er na een uur een hert kwam kijken, ze bestonden dus toch nog, wilde Joe alarm slaan. Vader merkte Joe’s zenuwachtige gebaren op voor het hert dat deed, en maande hem weer stil te zijn. Joe wist niet wat vader bedoelde en keek hem verbluft aan, terwijl vader zijn speer tevoorschijn haalde en Joe vroeg zich af wat vader van plan was. Vader liet het hert naderen, maar het hert had toch iets gemerkt en hief het hoofd, vader stond op en het hert sprong weg, maar vader, begaafd gooier, raakte het hert vol in de flank, de speer doorboorde zijn dierenbuik. Joe gilde het uit. (Vader gooide Gods diertjes dood! Vader was krankzinnig geworden!) Joe rende schreeuwend weg, en vader volgde, want Joe mocht hun positie niet verraden. Hij omarmde de grote jood, maar kreeg hem niet stil, en gebaarde moeder vanuit de verte dat ze moest komen, en moeder had ze al gehoord. Joe begon te huilen en moeder nam hem in zijn armen. De dochter wilde van dienst zijn, maar kwam niet tussen ze in, en vader liep terug naar hert, haalde de pijl eruit en tilde het bakbeest een paar meter en begon het vervolgens te slepen. Ze zetten een verdekt kamp op en Joe besloot nooit meer met vader erop uit te gaan en nooit meer iets te eten waar vader mee thuis kwam. Vader maakte de dieren stuk.

Joe de albino-neger

1

Op de dag dat Joe, de verstandelijk gehandicapte albino-neger van Joodse afkomst, met een zigeneurkamp in het begin van de jaren veertig van Joegoeslavië naar de Slowaakse Republiek trok, om zijn vader op te sporen, zijn moeder was immers overleden aan buiktyfus in een Joegoeslavische schuilkelder, en zijn vader had hem voor de geboorte verlaten, had hij nog geen enkele vrees voor de tegenstand die hem wellicht op straat kon overkomen. Joe, die eigenlijk Joseph heette, Joseph Allegro om volledig te zijn, had niet het vermogen om lang verdrietig te zijn om zijn moeder. Hij was zelfs nog nooit echt verdrietig geweest. Soms schrok hij ergens van, maar dat vergat hij telkens snel. Geestelijk schatte men hem nog geen acht jaar oud, terwijl hij lichamelijk al tweeëndertig was. Joe was vrolijk, altijd al geweest, en in goede vorm door zijn voortdurende bewegingen. Stilzitten deed Joe nauwelijks. Het enige waar hij bang voor was waren herdershonden, hij had er zelfs een gruwelijke hekel aan, maar voor de rest hield hij onvoorwaardelijk van Gods schepping. Vooral wanneer hij ergens de geluiden van jazzmuziek ontwaarde sprong hij als een kind zo blij in het rond. Hij kon het niet laten.

Het enige wat hij van zijn vader (een grote, zwarte man) had, was een adres. Zijn moeder (een prachtige Jodin) had eind jaren dertig nog briefwisselingen met hem gevoerd, ze waren van plan om hun relatie te hervatten, de tijden waren ongunstig voor alleenstaanden, om alsnog samen voor hun zoon te zorgen, en wel in het bosrijke gedeelte van Polen. Godzijdank werd dit plan gedwarsboomd, want in Polen was het echt verschrikkelijk, hadden ze gehoord, en wat een geluk hadden ze dat de briefwisseling ophield door toedoen van het vernielde postkantoor. Voordat de moeder stierf had ze een zigeneurkamp, waarmee ze bevriend was, die van plan was om naar de Slowaakse Republiek te reizen, gevraagd of ze haar zoon mee wilden nemen, en dat mocht. Ze had gevraagd of hij achterin de wagen mocht zitten en dat ze zijn vrolijkheid, die af en toe ongepast kon zijn, mochten negeren. Als ze ervoor zorgden dat hij af en toe iets dronk en at, en hem bij het adres van zijn vader af zouden zetten, zou ze rust vinden. Ze gaf hen het adres mee en stierf twee dagen later.

In de wagen gaf Joe zijn rode ogen goed de kost aan het landschap dat ze achterlieten. Hij zat achterstevoren op de rand van de huifkar en hij vond het een raar gevoel om naar het verleden te kijken terwijl hij naar de toekomst ging. Hij moest ervoor zorgen dat de zon hem zo min mogelijk te pakken kreeg. Zijn witte haren happerden in de wind en hij glimlachte om de geuren van het veld, die opwindende rookkolommen die af en toe voorbij vlogen en de zalige rust van het ontbreken van wereldse geluiden, alsof alles zich op een onvoorstelbaar verre achtergrond begaf. Hij genoot. De mensen met wie hij reisde waren lieve zigeneurers, en al viel hij op door zijn afwijkende uiterlijk, er waren geen problemen. Niemand zag hem, verscholen in de kar, en ze hadden het geluk geen patrouilles tegen te komen. Ze reisden licht, onopvallend en voornamelijk door dichtbegroeide bossen, bossen die ze doorkruisten alsof ze er stuk voor stuk geboren waren. Doordat ze allen uitstekend gierig konden zijn hadden ze weinig rantsoen nodig, en Joe verzon nooit uit zichzelf dat hij honger of dorst had. De familie bestond uit de vader, de bestuurder van de kar, de moeder, een dochter, een zoon en nog twee zoontjes in de vorm van een tweeling. Alle ooms en tantes die ze vroeger hadden waren omgekomen in het geboorteland tijdens de eerste bezettingen, maar voor Joe was het één grote familie.

Om de route voor de lezer te verduidelijken, hun geboorteland was het huidig Servië. Hiervandaan moesten ze door huidig Bosnië, Kroatië, Slovenië en Oostenrijk om bij Slowakije aan te komen. U kunt de kaart erbij pakken om een beeld te vormen, indien nodig. Het verslag van deze avonturen start in Slovenië, waar ze de eerste tegenslag ondervonden. Tot dusver ging het voorspoedig. Joe had geen idee wie of wat God precies was, maar God was met hen.