Top 10 – Boeken

  1. Albert camus – Mythe van Sisyphus
  2. Friedrich Nietzsche – Birth of a Tragedy
  3. Franz Kafka – Het Proces
  4. James Joyce – Ulysses
  5. Gustave Flaubert – Haat is een Deugd
  6. Don Delillio – White Noise
  7. Roberto Bolańo – 2666
  8. Ludwig Wittgenstein – Brieven
  9. Marcel Proust – Swann in Love
  10. Gerard Reve – op weg naar het einde

DERKO (1990 – 2087)

Zürich, 2089.

We weten weinig over de jeugdige Derko. Hij is opgegroeid in het dorp Rouveen, waar hij rond zijn achttiende vertrok, en tot zover reiken zijn biografische gegevens. Wat we verder van hem kennen zijn 624 schilderijen, 4 romans, 1296 gedichten en 1 korte-verhalen-bundel, waarin 12 korte verhalen zijn opgenomen, alle 12 die hij ooit schreef, wat in feite ongepubliceerde hoofdstukken zijn, ontdekt in het licht van zijn romans, of misschien waren het voorstudies. Er zijn in zijn enige, voor publiek bekende atelier, tekeningen en schetsen gevonden, duizenden, en ook geschreven woord, vaak op de achterkant van tekeningen, maar hiervan heeft niets het grote publiek bereikt. In feite heeft niets het grote publiek bereikt. Zijn werk is nooit vertaald, nooit een bestseller geworden, nooit bij een grote uitgeverij gepubliceerd, en zijn schilderijen hebben nooit een erkend, museaal podium gekregen.

We kunnen ons voorstellen dat een kleine marge, een elitaire uithoek, hem juist hierom waardeerde, vanwege het romantische gebrek aan ondernemerschap, het onbegrip bij de massa, of de desinteresse, of nog eerder de onmogelijkheid tot interesse. Of die kleine groep hem hierom waardeerde weten we niet écht, we weten niet waar zijn publiek uit bestond. De kleine oplages zijn dan wel verkocht, gedeeltelijk, maar de lokale uitgeverij heeft geen idee aan wie, of ze gelezen zijn, etc. Er zijn geen recensies bekend, geen besprekingen, niks. Het is alsof hij in een vacuüm kunst produceerde, dag en nacht, in een nabije wereld waarin men geen kunst kende. Alsof iedereen om hem heen zelfs nog nooit de term kunst had gehoord, laat staan zich ervoor interesseerde, laat staan zich ermee bezighield! De ellendige, angstaanjagende provincie waar zoveel rust heerst dat je er dood zou neervallen, zou je de rust in haar geheel kunnen voelen. Hij interesseerde zich niet particulier voor de kunsten, boeken en schilderijen, voorstellingen en exposities, het kon hem gestolen worden.

Derko was niet in staat tot het creëren van mythes. Zeker, al zijn uitingen bezaten de volle potentie om groteske mythes te worden, maar er zijn anderen voor nodig om mythes te maken. Mythes maken kan niet in je eentje. En die anderen ontbraken. Hoe hij in dat godvergeten vacuüm niet krankzinnig eenzaam werd, is een wereldwonder, of misschien werd hij dat wel, maar hoe hij dan zo productief bleef (zelfs in zijn ‘minder productieve’ tijden was hij nog vele malen productiever dan vele kunstenaars tijdens hun hoogtijdagen)…

Het is niet uitgesloten dat hij zichzelf niet bepaald productief vond, want een steevast thema in zijn literaire werk betreft de klacht aangaande zijn ledige leven, zijn grote zorgen over ‘zo weinig activiteit’. Achteraf, nu hij ons ontvallen is, valt dit gemakkelijk te verklaren. Al in zijn eerste roman roept de schilder uit at hij zich niet kan voorstellen ‘dat het grootste nog moet komen, dat de top van de berg nog niet bereikt is,’[1] of even verder:

‘het is alsof ik ongezien duizenden bergtoppen, nog door geen mens gezien, onzichtbaar moet trotseren, duizenden zonsondergangen en opkomsten, voor er een berg zichtbaar wordt voor het menselijk oog.’[2]

Waar hier de pathetiek nog episch van toon is, is de pathetiek van de tweede roman enkel pathetisch. Hier zucht de schilder over zijn vroege naïviteit, over zijn bergbeklim wat in feite woestijnwandel was, en hoe hij daar nou zo pathetisch over kon zijn[3]. We weten van hem dat hij zijn honderden schilderijen per maand weer wit maakte, dat hij duizenden schilderijen had wanneer hij telkens op een ander was begonnen. Zo radicaal sprong hij niet om met zijn schrijfwerk, dat stond gelijk als een huis. Dat was hem heilig. O ja, hij herzag zijn manuscripten jarenlang telkens opnieuw, hij schrapte en polijstte, maakte alles telkens compacter, verwijderde personages en subplots operatief, maar de fundament en het raamwerk is onveranderd gebleven sinds de eerste dagen van zijn schrijverschap, toen de concepten van zijn romans zonneklaar werden, de noodzaak op zijn plek, en niets dat het kon vervangen.

De boeken moesten gaan over de hel van het schilderschap, dat altijd nog beter was dan het niets (want die twee opties gaf hij zichzelf). Zelfs de liefde (die op een zekere dag haar hoofd liet zien, als ik het derde boek moet geloven) kon deze gedachte niet ontmantelen of teniet doen. Een vanzelfsprekende vraag die bij de lezer kan rijzen is de volgende:

‘Als die genoemde kunstenaar in zo’n ongezien vacuüm leefde, hoe weet u als biograaf al deze zaken, hoe spreekt u over dingen alsof ze ons werkelijk bekend zouden zijn?’ En met het volgende antwoord breng ik gelijk een aantal academische risico’s in beeld. Toen ik me als bijzonder hoogleraar verbonden aan de Universiteit van een Stad bezig hield met het doctoraal scriptie van iemand die ik begeleid, een onderzoek over het gebruik van de term het Dionysische van Nietzsche met betrekking op het werk van H. de Vries, las ik de tweede roman van Derko. Hier was geen direct causaal verband. Ik lunchte dagelijks bij een vriend in een antiquariaat in een buitenwijk, en zijn winkeltje puilde uit, omdat hij als bibliofiel alles aannam en nooit iets wilde verkopen (hoe hij zich financieel standhield was een raadsel), waardoor de boeken overal stonden, ook onder en om en op zijn koffietafel, en het een-na-onderste boek van de stapel waar zijn koffiemok op stond trok mijn aandacht, enkel vanwege de titel. ‘Welke imbeciel noemt zijn boek “Karnemelk II”,’ dacht ik, ‘en wie wil dat uitgeven?’

Terwijl mijn goede vriend een klant hielp, of eerder gezegd afwimpelde, pakte ik het boek en bladerde het geheel tussen mijn vingers om al snel de achterflap te lezen. ‘Oké…’ dacht ik, bekeek het colofon, kende de uitgever niet, zag het jaar 2021, oud maar niet heel oud, en las de eerste zinnen. Niet slecht. Veelbelovend zelfs. Maar de naam ‘Derko’ zei me niets. Zou het een soort latere Wolkers of Nescio zijn naast MUL/HER/REV? Een David Vogel naast Thomas Mann en Franz Kafka? Of was dit iemand die postuum nog een grote kon worden? Al geloof ik al decennia niet meer in dergelijke romantiek, iets in deze zinnen deed iets sluimeren, alsof ik stoffige troep in mijn handen had, maar dat het poetswerk waard was.

Mijn vriend was nog in gesprek en ik las verder. De zinnen waren grauw, melancholisch, grijs zonder tegenkleur, een dramatisch dikke wolkendeken, waar ik ondanks toch doorheen wist te lopen, en na vier pagina’s liet ik het ernstig dichtvallen, mijn vriend kwam terug en ik stopte het werk in mijn binnenzak zonder het te vragen, want mijn vriend wilde al zijn boeken binnenshuis houden. Ik vroeg niet eens of hij het gelezen had, in de gedachte dat zijn oog gelijk het boek weer wilde zien. Volgens mij had hij nog geen twee procent van zijn boeken gelezen, hij zocht ze uit op omslag, titel, kleur, behorend tot een bepaalde canon of juist een obscure uithoek, maar zelden om ze daadwerkelijk te lezen. Daarom hield ik van hem.

Thuis gekomen las ik niet gelijk verder, de mythe moest bewaard blijven, en tegelijk ontkracht worden. Context. Wie is de schrijver? Positionering. Internet. Niks. Geen review, geen scripties, geen mini-essay, geen verwijzing, niks. Ja, als enige het bewijs dat hij tweemaal een kort verhaal heeft gepubliceerd bij inmiddels failliete tijdschriften. Was het dan soms een prutsschrijvertje? Had ik me zo sterk vergist? Kan ik niet altijd bij één oogopslag, met mijn geleerde röntgenblik en geoefende wijsvinger, zien en voelen wat de tekst vertegenwoordigt? Of ben ik afgeleid door de scriptie van die zelfingenomen Phd-er, omdat ik haar naïef betoog over het Dionysische bij de Vries zo zat ben, en niet alleen omdat het volgens mij juist Apollinisch is wat de Vries vertoond… ben ik daarom zo afgeleid? Een klein literair avontuur als escapisme, mijn gedachten voor een uurtje op een zijpaadje?

Mogelijk. Toch voel ik in deze vier pagina’s al meer van Dionysus dan in al het werk van de Vries bij elkaar. Ik las nog eens twaalf pagina’s onafgebroken en nog eens vier. Ja, het was duidelijk dat er geen vooropgezet plan was, geen heldere synopsis, dat de schrijver pas laat begonnen is met schrijven, dat hij naast deze romans weinig stijloefeningen heeft gekend, dat hij geen punten kon zetten, dat het één lange absurde zin is, een trein door een onbegaanbaar landschap, en dat het daarmee verklaart waarom geen grote uitgever er brood in zag, als hij het al aangeboden had, dat het zelfs een wonder is dat hij een lokale uitgever overtuigde en ook nog 80 uitgaven heeft verkocht, en dat het nooit besproken is lijkt ook vanzelfsprekend voor onze boekenmarkt, maar tegelijkertijd zo’n grote zonde.

Dit werk moet wel gaan over een individu dat zichzelf dagelijks kapot twijfelde, ontevreden was over elke eigenschap die hem aan kwam waaien, een persoon met een grote Wil, een Nietzscheaanse Ja groter dan de ja’s die ik tot nu toe ken, een Joyceaanse Ja (die direct straffeloos incommensurabel is), een persoon dat weerstand kon bieden tegen de Waarheid van Schopenhauer, zonder er iets van te relativeren, een mens waardig als pennenvriend van Wittgenstein, iemand die de absurde paradox leeft, de gedoemde Vrijheid ademt, om maar wat context te bieden.

U moet goed begrijpen dat ik hier geen hoge ironie wil bieden, geen post-romantisch weerwoord wil construeren achter mijn schrijftafel, geen academische leemte wil vullen met een werkbaar wonderkind, geen oude-mannen-voorkeur wil propageren, want op het moment van lezen was ik nog niet direct overtuigd. Maar na een lezing van zijn twee andere romans en de korte verhalen is mijn overtuiging gesterkt en groeiende.

Zijn gedichten ben ik nog mee bezig, en een beschouwing hierop zal later volgen, en zijn schilderwerk nog later, want de schilderkunst is mijn terrein niet, al heb ik mijn sterke voorkeuren en zou ik deze graag willen expliciteren. Maar voor een beschouwing op een waardig niveau moest ik me tot mijn collega-professoren wenden, en het resultaat hiervan is opgenomen in het hoofdstuk na het deel over het dichtwerk.

We starten met een contextualiserend overzichtswerk vanuit een theoretisch kader in het licht van de romantische, de existentiële en de postmoderne traditie. 

Proza

Romantiek

Derko lijkt begonnen te zijn bij Dostojewski. Zonder de Russische romslomp ging Derko even epileptisch op zoek naar de grote God van het Oude Testament, en ontweek hierbij niet de ravijnen en donderwolken die hem belaagden (…) [4]

Existentialisme

In gesprek met Camus en de zijnen besprak hij de mogelijkheid van een leven met een telkens uitgestelde zelfmoord (…)[5]

Postmoderniteit

Derko’s werk typeert zich door het karakter van een lappendeken vol ogenschijnlijke autonome, originele werken die onderling naar elkaar verwijzen zoals alles naar Dante verwijst en Dante naar alles terugverwijst (…) [6]

Poëzie

Zijn 1296 gedichten lijken door een totaal ander mens geschreven. Er lijkt een wanhopig infantiel kind aan het woord te zijn, een liefhebbend, religieus kind. Het betreft korte gedichten, vrij vers, en bij andere bestudering zien we in elk gedicht een verlichte essentie van zijn romans, die zo non-essentieel aandoen, met uitzondering van een lang gedicht, waarvan de analogie met Elliott, Shakespeare, Proust, Becket, Borges, Baudelaire en Rimbaud duidelijk wordt, en wat binnen één gedicht (acht kantjes) zijn immense belezenheid verraad (…)[7]

Schilderwerk

Dit deel bevat een bijdrage van mijn gelauwerde kunsthistoricus, waarvan ik gepoogd heb ze in de betooglijn van de vorige bijdragen te voeren. Hier is het wederom het werk besproken in het licht van de romantische, de existentiële en de postmoderne traditie, voor zover mogelijk en functioneel, want ondanks de onherroepelijke aanknopingspunten en dwarsverbanden zou ik het werk het liefst an sich willen becommentariëren, maar de academische bescheidenheid doet mij gebieden om het geheel in te bedden en onder te brengen in de houvast van de westerse kunstgeschiedenis, maar ook vooral omdat in het licht van Friedrich, Turner, Chagall, Manet, Beckmann, Picasso, Matisse, Mondriaan en Malevich zijn werk des te meer als een geleefde rots aan het zwarte wateroppervlak opdoemt, onder het licht van de door hemzelf gebouwde maan en omgeven door schimmen van walvissen en industriële monumenten, en dit alles in een door iedereen verlaten of nog nooit betreed landschap (…)[8]

[1] Karnemelk I,

[2] Karnemelk I

[3] Karnemelk II

[4] voor een volledige versie verwijs ik u door naar “Ter Veen, Y. Derko, Volledig, de biografie, 2089.”

[5] Ibidem

[6] Ibidem

[7] Ibidem

[8] Ibidem

Moet ik politiek betrokken zijn?

Lieve mensen,

Ik moet meer betrokken zijn. Het schilderen en mijn andere hobby’s zijn niet toereikend, niet voldoende om een daadwerkelijk verschil in de wereld te maken. Mijn hulp – en schuldvraag werd versterkt door een column van de Correspondent (uiteraard), van Rutger Bregman, die zich afvroeg hoe we herinnerd willen worden:

“Als apathische hipsters die zichzelf in slaap susten terwijl de planeet gefrituurd werd, de Europese Unie uiteenviel en het fascisme de kop opstak? Of als generatie die in verzet kwam, nieuwe dromen formuleerde en het onrealistische onvermijdelijk maakte? In het laatste geval: laten we nu het verschil maken. Er is geen tijd te verliezen.” (bron)

Dus: #hoebetrokkentezijn? #hoepolitiek? Na recente gebeurtenissen, zoals het lezen van meer columns, toenemende bewustwording wat betreft de Tweede Wereldoorlog, de Vluchtelingencrisis, nieuwe presidenten, maar ook de nadering van de sloop van mijn atelier, beginnende winters en een lekke band, begon ik met zoeken naar eventuele oplossingen.

Na alles wat ik las over polarisatie, de vooroordelen over de angstige onderbuikmensen en vooroordelen over intellectuele nietsnutten, wil ik ook wel minder polarisatie. Ik zocht mijn heil weer bij de Correspondent, want dat komt steeds op mijn tijdlijn. Daar zag ik ditmaal een stuk van (zelfbenoemd geprivilegieerde) Rob Wijnberg, die een poging doet polarisatie tegen te gaan met het volgende:

“Beste PVV-stemmer, u en ik hebben meer gemeen dan we denken.” (bron)

Ik las het geheel en was onder de indruk van de nuances en de voorgestelde verbroedering. Toen bedacht ik me juist dat mijn goeie oude buurtbewoners van vroeger, waarvan ik later het PVV-lidmaatschap op facebook zag, dit heus niet gaat lezen (of voor gaat interesseren), net zoals zij waarschijnlijk dit stuk niet gaan lezen. Of is dat mijn vooroordeel (PVV-stemmers willen niet nuanceren)?

Dit blijven alsnog blogs voor eigen parochie, de geprivilegieerde die zichzelf bekritiseert, voor zichzelf en andere geprivilegieerden. Het telkens inzichtelijker maken van verschuivende perspectieven en wie dat het leukst kan. Net zoals deze blog dat waarschijnlijk ook blijft. Het is moeilijk om dit te overstijgen, zulke blogs kunnen ondanks hun inhoud als geheel overkomen als: weer zo’n correspondentcolumn, hipstergezeur. En dan krijg je weer van die Ewout Klei-reacties (die ik stiekem wel grappig vind):

schermafbeelding-2016-11-24-om-10-53-15 schermafbeelding-2016-11-24-om-10-54-26

 

 

 

 

 

 

Wat te doen? Of zijn we nou eenmaal beperkt tot praten, schrijven en goede doelen steunen. Ik bedoel, ik hoef toch niet echt naar zo’n debat en zo’n actie en zo’n buurtgesprek?

Als ik de politiek betreed moet dat dus anti-polariserend/all-you-need-is-love/maar-dan-niet-hippie/zeer-duidelijk-en-begrijpelijk zijn. Polarisatie komt door diversiteit en democratie en die kan ik niet ondermijnen met mijn plannen voor een aristocratie van genuanceerde superhelden. Arjen Lubach deed wel een poging om een superkamp (kamp Nuance) te stichten, al valt daar ook weer veel over te zeggen (dat deed de Groene Amsterdammer dan ook trouw).

Wat mij dwars zit is dat ik door politieke betrokkenheid het idee heb gekregen niet alleen maar in mijn atelier mag zitten, want dat is onbetrokkenheid, en dan heb ik straks niets gedaan aan alle problemen. Dus een schuldvraag. Schilderen is ook een elitair discours voor een zeer klein deel van de bevolking waar de rest niet de positie/aandacht/ interesse voor heeft om het te waarderen. Mijn eerste reactie was altijd: ‘nou en, ik zit lekker, picasso-1Picasso was ook zo en zo, ik ben feitelijk hetzelfde,’ en dan wil het wel weer. Ik ben een toegewijd kunstenaar die zijn atelier volledige vrijheid moet gunnen en geen minuut met iets anders bezig hoeft te zijn.

Maar dit wordt af en toe in de war geschopt. Dan moet ik wellicht gaan snijden in mijn tijd en wat vrijmaken om mijn steentje bij te dragen, als eenling in de massa, en met de mensen om mij heen over oplossingen nadenken. En uiteraard, een stukkie schrijven. Want dat kan je dan doen, in een column uitleggen waar het mankeert in de politiek en wat voor gedachten we nodig hebben. Oproepen tot daadkracht en activisime binnen de kaders van de tekst.

Ik weet het niet. Ik weet niet of ik in makkelijkere taal wil praten, de kunst toegankelijker wil maken, mezelf minder elitair, meer toenadering zoeken… Misschien wil ik juist wel veel meer ‘elitair’ worden. Leven voor de esthetiek, verschraling tegengaan en kwaliteit voorop zetten. En geen schuldgevoel over eventueel egocentrisme. Dat is juist nodig om goed werk te maken. Ik weet het niet.

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Beeld dat Moet, deel 3.

Wat die fascinatie met uitsluitend het esthetische betekent, en wat die dagelijkse toewijding waard is, weet ik ook niet. Voor mij zijn weinig kunstenaars of kunstwerken echt waardevol/belangrijk (niet zoals een vriend/liefde dat kan zijn). Ze zijn kortstondig en opgenomen in een groter geheel. Dat groter geheel (lees: overkoepelende term) heet Kunst. En daarvoor ben ik weer geneigd telkens vriend/liefde opzij te schuiven. Hm.

Vooral andersom. Zonder kunst zou ik niets opbrengen om liefde of vriendschap te dragen of er iets mee te kunnen. Deze stelling neigt ietwat naar kunst als therapie, en dat is feitelijk ook zo, ondanks de wat truttige bijbetekenis. De therapie zit erin dat de ontvankelijkheid voor esthetische percepten (in het geval van de maker ook de neiging om hiermee iets werktuiglijks te doen en het in een andere samenstelling weer te tonen) me weerhoudt van een kortzichtig, ledig en zwaarhoofdig leven. Gechargeerd? Heus.

Als kind speelde de resonantie zich af door fabels, dieren, schaduwen, bomen, zand, etc., waardoor ik niet enkel botweg de onbegrijpelijke ruis van de wereld hoefde te aanvaarden. Het waren ruimtes op zolders en hooibergen die bevrijding en poëzie boden. In de brugklas verschafte bijvoorbeeld the Lord of the Rings de nodige epiek. Toen was er een tijd niets, behalve het verlammende effect van onderwijs en mijn sociale focus, wat bij de ontvankelijken op aarde geheid resulteert in niet zo veel duurzaams. Eenmaal weg bewogen van scholen, tien jaar later, kwam het weer terug. Ditmaal voorgoed en verving het bijna alles. Maakt u zich niet ongerust, ik heb geen behoefte mijn persoonlijke noties met u te delen; ik ben ruimschoots op de terugweg en zelfs benieuwd hoe dit onvergankelijk plezier ook binnen scholen toegepast kan worden. Want de truc is om je weer te verhouden tot de wereld en een beetje liefde te delen. Hoe verhoud ik me tot de mens? Geen idee. Helemaal niet wanneer ze op mijn expositie komen. Wat verlang ik van ze? Geen idee. Wat verlang ik van mezelf? Geen idee. Ik vraag het Rik. 13735179_1106193012774481_2633542702597950893_o (1)

Rik praat zonder sentiment en met een aan Don Quichot denkende nostalgie over de reuzen in het landschap. De loodsen, de Franse watertorens (‘ken je die?’), ondoordringbare kelders, elektriciteitsmasten, gemalen en massieve bunkers. Of de mythische radiotelescoop in Dwingeloo! Plekken die als kind tot de verbeelding spraken, omdat je de functie niet kende en het je overdonderde, maar dat doet het nu nog steeds. Rik denkt na, vraagt zich af of het effect te maken heeft met de afwezigheid van andere mensen. Of door het niet-begrijpen hoe mensen zich tot zulke ruimtes/objecten verhouden. Want die constructies staan daar maar, groot en eenzaam te zijn.

Het is die manier van kijken die je als kind doet ‘dromen’, en als groter kind doet onderzoeken, en als volwassene doet vervormen. Praten over die fascinatie strandt al gauw in clichés, maar daar doen we nu even niet moeilijk om. Kijk omhoog, Sammie, want daarboven lacht de maan.

Het Beeld dat Moet, Deel II

Dat de esthetiek troont, is wellicht een wanhopig vervolg nu al het andere heeft afgedaan. Engagement, waarheid en betekenis, een mening überhaupt, wat heeft het voor zin? Staan we er in een neoliberaal klimaat er tenslotte niet alleen voor, alleen verantwoordelijk voor onze eigen overtuigingen? En daarbij het idee dat deze ‘zelf’, de autonome ik, niet meer in staat is tot het authentiek scheppen van een origineel beeld dat betekenis draagt en iets zegt over en iets wil met… Die doelen lijken verloren, en dan kan het werk slechts nog verwijzen naar zichzelf en naar andere naar zichzelf-wijzende werken.

De Grote Stromingen zijn voorbij. Maar om niet lethargisch met dit end-isme mee te verzanden in de witruimten van het onkenbare, gaan we verder. De kunst is dood, leve de kunsten! Het onvermogen tot avant-gardisme doet ons brutaal de chronologie (nog zo’n premodern principe) vernietigen en de gehele maak-geschiedenis op onze werktafel uitstallen. Waar een Malevich een prachtige punt (een vierkante punt) in de chronologie heeft gezet (of het optreden van Duchamp, of vul maar iets anders in), en allerlei kunsttheoretici heftig instemmend mee knikten, knikken wij ook glimlachend mee, het zij zo!

En dan nu weer terug naar Egypte, terug naar de pre-socratici, terug naar de donder. Terug naar alles wat aan de dag treedt en verder. De grote der namen (mogen we dat nog zeggen?) hebben nooit anders gedaan, het verschil is dat ze het in een tijdsbestek deden waar we nu nostalgisch over kunnen doen. Maar een Malevich zocht naar mijn inzien niets buiten zijn Niets van het Vierkant. En ook een Picasso vocht net zolang met zijn werk tot het verhaal eruit was, en spreek me niet over Van Gogh, figuratief; maar een figuur moest vanwege het figuur! En zijn geschilderde boerenschoenen hoeven voor mij verder niets te zeggen over het boerenleven (zie Derrida over Heidegger en Schapiro over de boerenschoenen van Van Gogh).

Een kunstenaar is niet minder (Plato) of meer (Hegel) dan iets of iemand anders. Dat sommigen verkoren (hihi) zijn om hoofd, hart en handen te buigen over de transformatie en sublimatie van het aards vergankelijke en haar goddelijke poëzie, wat kan de lekenmassa daar nou aan doen? Niet iedereen ontsnapt aan de ledigheid en de verstrooiing! U ziet het al, ik maak me niet schuldig aan romantisch taalgebruik of waardeoordelen.

Dit soort praat kan al snel stranden in een soort vorm-vent discussie, maar dan kan ik nu al met Flaubert (de keizer van de esthetiek) spreken dat zo’n onderscheid debiel is, want hoe bestaat zoiets los van elkaar? De vorm draagt de inhoud en ze zijn niet apart denkbaar. Het gaat erom dat die inhoud niets hoeft te bevatten van dat wat er buiten ligt (persoonlijke anekdotes, politieke statements of maatschappelijke betrokkenheid) want dan kan men beter iets anders gaan doen (dagboeken schrijven, de politiek ingaan of hulpverlener worden).

Het is altijd gevaarlijk en daarmee verleidelijk om nu Nietzsche erbij te halen. Hoe hij de menselijke profeten veracht, de valse boodschappers, waaronder ook kunstenaars, met valse idealen en machtshonger en (on)bewuste behoeften. En hoe hij de ware taak van de kunstenaar zag in het weergeven van de veranderlijke werkelijkheid, de roes, het driftmatige: het DIONIYSISCHE. En hoe daarvoor weer een masker nodig is, de illusie, de vormgeving: het APPOLLINISCHE. En hoe wij het Dionysische zijn kwijtgeraakt, met onze opgeblazen breinen en ‘vrouwelijke’ conventies. Daarom laat ik hem nog even met rust. Liever haal ik Kant er opnieuw bij, de oude reus. Hij sprak over de werking van het esthetisch oordeel13735179_1106193012774481_2633542702597950893_o (1). Zoek dat maar eens op. Hoe de systematiseerbaarheid van de natuur (en/of een kunstwerk) kan aansluiten bij onze natuurlijke behoeftes. Want daar gaat deze expositie over: Wanneer de aansluiting plaats vindt, ontstaat er binnen de vrije verbeelding iets dwangmatigs wat een bevredigend geheel zoekt. Een geheel dat telkens verschuift en nooit daadwerkelijk afgerond wordt. Wat houdt die bevrediging in? Hoe werkt ze? Hoeveel is ze waard? Daar zal ik me wellicht een volgende blog aan wagen.

 

Het Beeld Dat Moet

Op weg naar de expositie Het Beeld Dat Moet vraag ik me af welke beelden moeten, en waarom, en wat de reden is dat ik dit met jullie wil delen. Ik heb werken geselecteerd waarin, naar mijn idee, de drang naar vorm het sterkst naar voren komt: waar ik indrukken/waarnemingen/facetten heb getransformeerd tot particulier goed, door er in te wroeten tot het ‘klopt’.

Het Beeld Dat Moet impliceert dat er verder geen opsmuk mag zijn, geen engagement, geen verhaal, geen betekenis. Nu kan ik hier al zeggen dat dit er gelijk gaat zijn; de keuzes die we maken zullen context creëren. Waarom deze beelden, wat zouden ze eventueel wel kunnen betekenen, wat is de verhouding van de maker tot het beeld, welke invloeden zien we terug, hoe verhouden de werken zich onderling tot elkaar, wat voor gevolgen heeft de presentatie van de expo voor het werk, en natuurlijk, waarom MOETEN er überhaupt beelden? Wat houdt dat in?

Voor dat laatste een voorbeeld van wat ik in gesprekken hierover hanteerde (hier kan ik alleen voor mezelf spreken, jullie spreken Rik nog live tijdens de expositie). Op Facebook worden dagelijks talloze foto’s geplaatst van zonsondergangen, wolkpartijen en vakantie-uitzichten; de kijker ziet iets in dat beeld, wat een esthetische bevrediging oplevert en hij/zij wil dit graag delen met de rest van de wereld. Hier zit iets Kantiaans in van Schoonheid met een ‘algemene geldigheid’ (het spreekt iedereen overal aan; de natuur is afgestemd op onze behoefte) en ‘het sublieme’ in de natuur (de zonsondergangen en wolkpartijen), maar daar kom ik later wellicht op terug. 13735179_1106193012774481_2633542702597950893_o (1)

Wat ik bedoel met dit voorbeeld is dat veel mensen dit soort dingen zien, en dat een beeldenmaker hetzelfde uitgangspunt kan hebben. Wanneer ik een wolkpartij -of een maan, elektriciteitsmast, berg, hijskraan, theepot, flatgebouw, lantaarnpaal, plant, etc.- zie, dan fotografeer ik die ook. Ik verzamel honderden van dit soort waarnemingen, schets ze, leg ze voor me uit op de grond. Die foto’s hoef ik niet precies na te schilderen, want die foto’s zijn er al. Het gaat me erom of ik het beeld kan transformeren tot een kunstwerk, of ik de veranderlijke, chaotische waarneming daarbuiten kan vastleggen in een compositie waarin de kracht van het beeld ligt besloten (zonder dit op wat voor manier Platoons te bedoelen). Het gaat me er niet om de kern/Idee/essentie van het object op het doek te projecteren, maar hetgeen wat telkens blijft aanspreken, wat het oog blijft zoeken, wat het gemoed bezighoudt. Dat wat in de ruis haar krachten toont een gepast kader geven.

Het Beeld Dat Moet wil zeggen dat in deze zoektocht ‘het’ beeld, in haar oneindige hoeveelheid, centraal staat, en dat hierbij door de maker geen verhaal of betekenis wordt bedacht, de beelden krijgen geen verhaal over de positie van de mens, een politiek statement of een maatschappelijke betrokkenheid. Maar dat kan het natuurlijk allemaal wel zijn! Maar wij zoeken het beeld.

En wat is jullie rol daarin? En wat betekent het dat esthetiek op de troon zit? Wat voor statement maken we hier alsnog mee?

 

Quit Playing Games (With My Art)

Kunst kijken, Zwolle 2016

Een bijzondere neiging, om jezelf op te sluiten en niet meer met de wereld te bemoeien. Nog meer bijzonder is het om tijdens zeldzame uitstapjes, ditmaal naar een tentoonstelling van de Jonge Talenten (ArtEZ), de neiging te voelen recensent te zijn en kritiek te leveren. En dat terwijl ik er was uitgestapt. Maar deze tentoonstelling maakte me, net zoals de andere Finals (afstudeerexposities) van de laatste 5 á 6 jaar, gefrustreerd, verward, een tikje boos, terwijl ik dat binnenshuis toch zo weinig ben.

Ik bezoek dergelijke evenementen uit sociale overwegingen (wat recensies nog moeilijker maakt), en ik kom terug met het gevoel dat kunst (op deze manier) inderdaad geen subsidie verdiend, haar legitimatiecrisis aan zichzelf heeft te danken en telkens weer haar pannenkoekenimago bevestigt. Tuurlijk, het zijn studenten, het is maar Zwolle, maar kóm op, wanneer is het nou eens klaar met die geëngageerde brain-fart producten? Aanklachten tegen social media door confrontaties met spiegels en naakte onzekere meisjes en verkeerde zelfbeelden en animaties van telefoonverslaafden? En wanneer is het nou eens klaar met kunst-is-lekker-creatief-onderbewust-Freud-Surrealisme—alternatief-contextloze Engelse citaten– puberale balpentekeningen?

FP_4181065_BARM_Nordahl_Jackson_EXCL_121009En wanneer is het nou eens klaar met het verschrikkelijke statement dat we in een gehaaste maatschappij (geld-status-macht) leven en dat we rust moeten vinden en dat alleen een kunstenaar de mensheid daaraan kan herinneren en daarbij kan helpen door een scheef hok te timmeren waar je je drukke systeemhoofd in moet stoppen (waarin het overigens nog steeds niet stil is (en als het wel stil zou zijn wil ik er ook niet inzitten (LEDIGHEID etc)). Iedereen weet dat het laat- kapitalistisch monster – prestatiedruk – blabla – lastig is, en zo niet, vooruit, maar dan is een hok met verwarde foto’s en een a4-tje met Loesje-tekst en uitleg niet plots een artistieke eye opener.

Dan zijn er ook nog een paar die iets sufs doen met waarneming en dat niets is wat het lijkt en wat willekeurig Sartre her en der.

Iets positiefs? Een meisje had een paar abstracte landschappen geschilderd, weids en regenachtig, groot formaat, aardig kleurgebruik. Tekst en uitleg was ook niet meer dan een omschrijving hiervan. Ja, we kunnen van mening verschillen, maar dat leek me richting Kunst gaan, autonoom en daadwerkelijk doorvoelde esthetica, artistiek bescheiden maar met potentie om daadwerkelijk na de diploma-uitreiking ook iets voort te brengen.

En de rest wordt dan waarschijnlijk een prima docent, maar ik weet niet of dergelijke prima docenten straks weer de nieuwe, talentvolle kunstenaars moeten begeleiden, of ze op de middelbare school zelfs al verwaarlozen. Want onze postmoderne kindertjes mogen dan wel alles doen wat ze zelf willen, maar niet anything goes. 

De blik op mezelf is nu wellicht onvermijdelijk, wat ik kan zeggen is dat ik gedurende mijn opleiding ook ‘statements’ zocht, met ieder ding ook iets wilde zeggen over filosofie, kerk en het liefst over mezelf. Blij dat dat nu voorbij is, of minder wordt, en ik eindelijk beelden kan gaan maken.

Doeg lieve kunstkijkers, blijf beelden zoeken.