DERKO (1990 – 2087)

Zürich, 2089.

We weten weinig over de jeugdige Derko. Hij is opgegroeid in het dorp Rouveen, waar hij rond zijn achttiende vertrok, en tot zover reiken zijn biografische gegevens. Wat we verder van hem kennen zijn 624 schilderijen, 4 romans, 1296 gedichten en 1 korte-verhalen-bundel, waarin 12 korte verhalen zijn opgenomen, alle 12 die hij ooit schreef, wat in feite ongepubliceerde hoofdstukken zijn, ontdekt in het licht van zijn romans, of misschien waren het voorstudies. Er zijn in zijn enige, voor publiek bekende atelier, tekeningen en schetsen gevonden, duizenden, en ook geschreven woord, vaak op de achterkant van tekeningen, maar hiervan heeft niets het grote publiek bereikt. In feite heeft niets het grote publiek bereikt. Zijn werk is nooit vertaald, nooit een bestseller geworden, nooit bij een grote uitgeverij gepubliceerd, en zijn schilderijen hebben nooit een erkend, museaal podium gekregen.

We kunnen ons voorstellen dat een kleine marge, een elitaire uithoek, hem juist hierom waardeerde, vanwege het romantische gebrek aan ondernemerschap, het onbegrip bij de massa, of de desinteresse, of nog eerder de onmogelijkheid tot interesse. Of die kleine groep hem hierom waardeerde weten we niet écht, we weten niet waar zijn publiek uit bestond. De kleine oplages zijn dan wel verkocht, gedeeltelijk, maar de lokale uitgeverij heeft geen idee aan wie, of ze gelezen zijn, etc. Er zijn geen recensies bekend, geen besprekingen, niks. Het is alsof hij in een vacuüm kunst produceerde, dag en nacht, in een nabije wereld waarin men geen kunst kende. Alsof iedereen om hem heen zelfs nog nooit de term kunst had gehoord, laat staan zich ervoor interesseerde, laat staan zich ermee bezighield! De ellendige, angstaanjagende provincie waar zoveel rust heerst dat je er dood zou neervallen, zou je de rust in haar geheel kunnen voelen. Hij interesseerde zich niet particulier voor de kunsten, boeken en schilderijen, voorstellingen en exposities, het kon hem gestolen worden.

Derko was niet in staat tot het creëren van mythes. Zeker, al zijn uitingen bezaten de volle potentie om groteske mythes te worden, maar er zijn anderen voor nodig om mythes te maken. Mythes maken kan niet in je eentje. En die anderen ontbraken. Hoe hij in dat godvergeten vacuüm niet krankzinnig eenzaam werd, is een wereldwonder, of misschien werd hij dat wel, maar hoe hij dan zo productief bleef (zelfs in zijn ‘minder productieve’ tijden was hij nog vele malen productiever dan vele kunstenaars tijdens hun hoogtijdagen)…

Het is niet uitgesloten dat hij zichzelf niet bepaald productief vond, want een steevast thema in zijn literaire werk betreft de klacht aangaande zijn ledige leven, zijn grote zorgen over ‘zo weinig activiteit’. Achteraf, nu hij ons ontvallen is, valt dit gemakkelijk te verklaren. Al in zijn eerste roman roept de schilder uit at hij zich niet kan voorstellen ‘dat het grootste nog moet komen, dat de top van de berg nog niet bereikt is,’[1] of even verder:

‘het is alsof ik ongezien duizenden bergtoppen, nog door geen mens gezien, onzichtbaar moet trotseren, duizenden zonsondergangen en opkomsten, voor er een berg zichtbaar wordt voor het menselijk oog.’[2]

Waar hier de pathetiek nog episch van toon is, is de pathetiek van de tweede roman enkel pathetisch. Hier zucht de schilder over zijn vroege naïviteit, over zijn bergbeklim wat in feite woestijnwandel was, en hoe hij daar nou zo pathetisch over kon zijn[3]. We weten van hem dat hij zijn honderden schilderijen per maand weer wit maakte, dat hij duizenden schilderijen had wanneer hij telkens op een ander was begonnen. Zo radicaal sprong hij niet om met zijn schrijfwerk, dat stond gelijk als een huis. Dat was hem heilig. O ja, hij herzag zijn manuscripten jarenlang telkens opnieuw, hij schrapte en polijstte, maakte alles telkens compacter, verwijderde personages en subplots operatief, maar de fundament en het raamwerk is onveranderd gebleven sinds de eerste dagen van zijn schrijverschap, toen de concepten van zijn romans zonneklaar werden, de noodzaak op zijn plek, en niets dat het kon vervangen.

De boeken moesten gaan over de hel van het schilderschap, dat altijd nog beter was dan het niets (want die twee opties gaf hij zichzelf). Zelfs de liefde (die op een zekere dag haar hoofd liet zien, als ik het derde boek moet geloven) kon deze gedachte niet ontmantelen of teniet doen. Een vanzelfsprekende vraag die bij de lezer kan rijzen is de volgende:

‘Als die genoemde kunstenaar in zo’n ongezien vacuüm leefde, hoe weet u als biograaf al deze zaken, hoe spreekt u over dingen alsof ze ons werkelijk bekend zouden zijn?’ En met het volgende antwoord breng ik gelijk een aantal academische risico’s in beeld. Toen ik me als bijzonder hoogleraar verbonden aan de Universiteit van een Stad bezig hield met het doctoraal scriptie van iemand die ik begeleid, een onderzoek over het gebruik van de term het Dionysische van Nietzsche met betrekking op het werk van H. de Vries, las ik de tweede roman van Derko. Hier was geen direct causaal verband. Ik lunchte dagelijks bij een vriend in een antiquariaat in een buitenwijk, en zijn winkeltje puilde uit, omdat hij als bibliofiel alles aannam en nooit iets wilde verkopen (hoe hij zich financieel standhield was een raadsel), waardoor de boeken overal stonden, ook onder en om en op zijn koffietafel, en het een-na-onderste boek van de stapel waar zijn koffiemok op stond trok mijn aandacht, enkel vanwege de titel. ‘Welke imbeciel noemt zijn boek “Karnemelk II”,’ dacht ik, ‘en wie wil dat uitgeven?’

Terwijl mijn goede vriend een klant hielp, of eerder gezegd afwimpelde, pakte ik het boek en bladerde het geheel tussen mijn vingers om al snel de achterflap te lezen. ‘Oké…’ dacht ik, bekeek het colofon, kende de uitgever niet, zag het jaar 2021, oud maar niet heel oud, en las de eerste zinnen. Niet slecht. Veelbelovend zelfs. Maar de naam ‘Derko’ zei me niets. Zou het een soort latere Wolkers of Nescio zijn naast MUL/HER/REV? Een David Vogel naast Thomas Mann en Franz Kafka? Of was dit iemand die postuum nog een grote kon worden? Al geloof ik al decennia niet meer in dergelijke romantiek, iets in deze zinnen deed iets sluimeren, alsof ik stoffige troep in mijn handen had, maar dat het poetswerk waard was.

Mijn vriend was nog in gesprek en ik las verder. De zinnen waren grauw, melancholisch, grijs zonder tegenkleur, een dramatisch dikke wolkendeken, waar ik ondanks toch doorheen wist te lopen, en na vier pagina’s liet ik het ernstig dichtvallen, mijn vriend kwam terug en ik stopte het werk in mijn binnenzak zonder het te vragen, want mijn vriend wilde al zijn boeken binnenshuis houden. Ik vroeg niet eens of hij het gelezen had, in de gedachte dat zijn oog gelijk het boek weer wilde zien. Volgens mij had hij nog geen twee procent van zijn boeken gelezen, hij zocht ze uit op omslag, titel, kleur, behorend tot een bepaalde canon of juist een obscure uithoek, maar zelden om ze daadwerkelijk te lezen. Daarom hield ik van hem.

Thuis gekomen las ik niet gelijk verder, de mythe moest bewaard blijven, en tegelijk ontkracht worden. Context. Wie is de schrijver? Positionering. Internet. Niks. Geen review, geen scripties, geen mini-essay, geen verwijzing, niks. Ja, als enige het bewijs dat hij tweemaal een kort verhaal heeft gepubliceerd bij inmiddels failliete tijdschriften. Was het dan soms een prutsschrijvertje? Had ik me zo sterk vergist? Kan ik niet altijd bij één oogopslag, met mijn geleerde röntgenblik en geoefende wijsvinger, zien en voelen wat de tekst vertegenwoordigt? Of ben ik afgeleid door de scriptie van die zelfingenomen Phd-er, omdat ik haar naïef betoog over het Dionysische bij de Vries zo zat ben, en niet alleen omdat het volgens mij juist Apollinisch is wat de Vries vertoond… ben ik daarom zo afgeleid? Een klein literair avontuur als escapisme, mijn gedachten voor een uurtje op een zijpaadje?

Mogelijk. Toch voel ik in deze vier pagina’s al meer van Dionysus dan in al het werk van de Vries bij elkaar. Ik las nog eens twaalf pagina’s onafgebroken en nog eens vier. Ja, het was duidelijk dat er geen vooropgezet plan was, geen heldere synopsis, dat de schrijver pas laat begonnen is met schrijven, dat hij naast deze romans weinig stijloefeningen heeft gekend, dat hij geen punten kon zetten, dat het één lange absurde zin is, een trein door een onbegaanbaar landschap, en dat het daarmee verklaart waarom geen grote uitgever er brood in zag, als hij het al aangeboden had, dat het zelfs een wonder is dat hij een lokale uitgever overtuigde en ook nog 80 uitgaven heeft verkocht, en dat het nooit besproken is lijkt ook vanzelfsprekend voor onze boekenmarkt, maar tegelijkertijd zo’n grote zonde.

Dit werk moet wel gaan over een individu dat zichzelf dagelijks kapot twijfelde, ontevreden was over elke eigenschap die hem aan kwam waaien, een persoon met een grote Wil, een Nietzscheaanse Ja groter dan de ja’s die ik tot nu toe ken, een Joyceaanse Ja (die direct straffeloos incommensurabel is), een persoon dat weerstand kon bieden tegen de Waarheid van Schopenhauer, zonder er iets van te relativeren, een mens waardig als pennenvriend van Wittgenstein, iemand die de absurde paradox leeft, de gedoemde Vrijheid ademt, om maar wat context te bieden.

U moet goed begrijpen dat ik hier geen hoge ironie wil bieden, geen post-romantisch weerwoord wil construeren achter mijn schrijftafel, geen academische leemte wil vullen met een werkbaar wonderkind, geen oude-mannen-voorkeur wil propageren, want op het moment van lezen was ik nog niet direct overtuigd. Maar na een lezing van zijn twee andere romans en de korte verhalen is mijn overtuiging gesterkt en groeiende.

Zijn gedichten ben ik nog mee bezig, en een beschouwing hierop zal later volgen, en zijn schilderwerk nog later, want de schilderkunst is mijn terrein niet, al heb ik mijn sterke voorkeuren en zou ik deze graag willen expliciteren. Maar voor een beschouwing op een waardig niveau moest ik me tot mijn collega-professoren wenden, en het resultaat hiervan is opgenomen in het hoofdstuk na het deel over het dichtwerk.

We starten met een contextualiserend overzichtswerk vanuit een theoretisch kader in het licht van de romantische, de existentiële en de postmoderne traditie. 

Proza

Romantiek

Derko lijkt begonnen te zijn bij Dostojewski. Zonder de Russische romslomp ging Derko even epileptisch op zoek naar de grote God van het Oude Testament, en ontweek hierbij niet de ravijnen en donderwolken die hem belaagden (…) [4]

Existentialisme

In gesprek met Camus en de zijnen besprak hij de mogelijkheid van een leven met een telkens uitgestelde zelfmoord (…)[5]

Postmoderniteit

Derko’s werk typeert zich door het karakter van een lappendeken vol ogenschijnlijke autonome, originele werken die onderling naar elkaar verwijzen zoals alles naar Dante verwijst en Dante naar alles terugverwijst (…) [6]

Poëzie

Zijn 1296 gedichten lijken door een totaal ander mens geschreven. Er lijkt een wanhopig infantiel kind aan het woord te zijn, een liefhebbend, religieus kind. Het betreft korte gedichten, vrij vers, en bij andere bestudering zien we in elk gedicht een verlichte essentie van zijn romans, die zo non-essentieel aandoen, met uitzondering van een lang gedicht, waarvan de analogie met Elliott, Shakespeare, Proust, Becket, Borges, Baudelaire en Rimbaud duidelijk wordt, en wat binnen één gedicht (acht kantjes) zijn immense belezenheid verraad (…)[7]

Schilderwerk

Dit deel bevat een bijdrage van mijn gelauwerde kunsthistoricus, waarvan ik gepoogd heb ze in de betooglijn van de vorige bijdragen te voeren. Hier is het wederom het werk besproken in het licht van de romantische, de existentiële en de postmoderne traditie, voor zover mogelijk en functioneel, want ondanks de onherroepelijke aanknopingspunten en dwarsverbanden zou ik het werk het liefst an sich willen becommentariëren, maar de academische bescheidenheid doet mij gebieden om het geheel in te bedden en onder te brengen in de houvast van de westerse kunstgeschiedenis, maar ook vooral omdat in het licht van Friedrich, Turner, Chagall, Manet, Beckmann, Picasso, Matisse, Mondriaan en Malevich zijn werk des te meer als een geleefde rots aan het zwarte wateroppervlak opdoemt, onder het licht van de door hemzelf gebouwde maan en omgeven door schimmen van walvissen en industriële monumenten, en dit alles in een door iedereen verlaten of nog nooit betreed landschap (…)[8]

[1] Karnemelk I,

[2] Karnemelk I

[3] Karnemelk II

[4] voor een volledige versie verwijs ik u door naar “Ter Veen, Y. Derko, Volledig, de biografie, 2089.”

[5] Ibidem

[6] Ibidem

[7] Ibidem

[8] Ibidem

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s