De Hybride Kunstenaar

‘Omarm je publiek. Maak je breed en sterk. Verbind je onderling (Dijkgraaf, 2015).’ Dijkgraaf schrijft waarom de organisatiecultuur van de kunsten zo fragiel is. Hij stelt zich snipperkunstenaars in een doolhof voor, en schrijft dat ze veel meer moeten en kunnen samenwerken. Waar bijvoorbeeld wetenschappers elkaar opzoeken en daarbinnen meerdere rollen aannemen, moeten ook kunstenaars verder kijken dan hun solitaire werkwijze (Dijkgraaf, 2015). De kunstenaar die zichzelf als solitair wezen ziet, of zelfs het kunstenaarschap bij uitstek monolithisch invult, heeft dan een tekortkoming. Voor deze kunstenaar is het individualisme geen keuze, omdat hij zo graag economisch zwak en instabiel wil zijn, maar inherent aan juist dit kunstenaarschap. Samenwerken, publiek omarmen, de rol van zowel ambtenaar als journalist aannemen, dat staat haaks op zijn natuur en zal hem oncomfortabel maken.

Dijkgraaf stelt dat iedereen kunstenaar kan zijn, dat kunst toegankelijk moet zijn, zich breed moet opstellen. Hij begrijpt dat de kunstenaar afstand nodig heeft, dat de kunstenaar niet midden in de tijd kan staan, dat kunst de werkelijkheid sublimeert. Maar toch wil hij dat de kunst iets moet. Kunst als middel, in dit geval tegen blikvernauwing (Dijkgraaf, 2015).

Toch is het zo dat veel kunstenaars ‘de moeizame inpasbaarheid van de wereld van de inspiratie in die van de markt, de industrie en het domestieke domein (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012)’ ervaren. omslagrapporthybridisering

De hybride kunstenaar in de postfordistische economie weet zich wel een houding te geven tegenover de markt en de massacultuur. Sinds de opkomst van de cultuurindustrie moet de kunstenaar hybride zijn om te slagen. ‘Dit proces speelt zich af tegen de achtergrond van de globalisering van de economie, de digitalisering van media en communicatie, en de neoliberale tendensen in de wereldpolitiek (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012).’ De kenniseconomie is complex en daarom is er steeds meer behoefte aan creatieve competenties, en hiermee zijn we bij de modus van het postfordisme beland.

Het beeld van de hybride kunstenaar in de hedendaagse creatieve industrie is in wezen afgeleid van de ontwerper. ‘De klassiek-moderne kunstenaarsdeugden (zoals autonomie, zelfbeschikking, authenticiteit en idiosyncratie) hebben in de beeldvorming plaatsgemaakt voor postfordistische waarden die daar haaks op staan: adaptiviteit, flexibiliteit, bereidheid tot dialoog, communicatieve vermogens, oplossings- en contextgerichtheid (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012, p. 23).’ Terwijl de romantische kunstenaar nog eenzaam in zijn atelier zit te ploeteren, is de ‘nieuwe’ kunstenaar ‘iemand met een groot maatschappelijk bereik, die probleemloos kan switchen tussen verschillende contexten (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012, p. 11).’

De vraag is echter wat kunstenaars opgeven wanneer zij hun energie en talent ter beschikking stellen van de creatieve industrie. Maar je komt er niet onderuit dat je als kunstenaar ergens iets moet met de buitenwereld. ‘Ook de meest idiosyncratische of onaangepaste kunstenaar moet bijvoorbeeld werk verkopen of op andere manieren aan geld komen (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012).’ Maar er zijn kunstenaars die veel opofferen en in relatieve armoede leven. ‘Ze ontzeggen zichzelf materiële welvaart om hun leven aan de kunst te kunnen wijden. … Dat betekent echter niet dat de kunstenaar, zoals gezegd, geen concessies hoeft te doen om brood op de plank te krijgen (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012).’ Het hangt er maar vanaf hoeveel compromissen men wil sluiten en in welke mate men beproevingen wil doorstaan.

De monolithische kunstenaar, zoals ik, vinden de wereld van de markt en de industrie het minst belangrijk voor de kunstwereld. Monolithische kunstenaars staan heel anders in de wereld dan hun hybride of pluriactieve collega’s. ‘Ze lijken het minst aangepast aan de condities van het postfordisme (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012).’

Er blijven veel kritische uitingen dat de autonomie van een deelsysteem, veld of subdomein gerespecteerd moet worden. Subwerelden dienen ‘zuiver’ te blijven. Die zuiverheid wordt bedreigd wanneer het ene deelsysteem zijn centrale code aan een ander deelsysteem opdringt. ‘Autonomie in de hedendaagse kunst betekent in dat verband dat het verkeerd is om de code kunst/ niet-kunst te laten bezoedelen door de code geld/geen-geld (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012).’

Dat is de reden waarom sommige kunstenaars ver weg blijven bij de ‘officiële’ kunstwereld. Zij vinden dat je financieel onafhankelijk moet zijn voor je kunst. Inkomsten uit kunst is voor deze groep geen doel, integendeel; ‘zij menen dat dat hun authenticiteit en autonomie als kunstenaar eerder zou ondergraven (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012).’ De druk om je autonomie prijs te geven is binnen de huidige economische en politieke context groot. En daarbij wordt de oorspronkelijke bedoeling van artistieke creativiteit misbruikt, want ‘de ogenschijnlijke maatschappelijke omarming van creativiteit staat haaks op beleidsmaatregelen en globale economische evoluties die deze creativiteit eerder inperken (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012).’ Veel kunstenaars worden steeds dieper het paradigma van de creatieve industrie binnengeloodst. ‘Daarin overheerst een smalle en instrumentele notie van creativiteit, gericht op toepasbaarheid en exploitatie (Winkel, Gielen, & Zwaan, 2012).’

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s