Joe & de schilderkunst

5

Hoe konden Hitler en Joe elkaars enthousiasme delen? Hitler hief zijn vinger in de lucht, wat betekende dat Joe een tel moest wachten, en liep weer naar binnen. Hij kwam terug met nog een schildersezel en onbevlekt linnen. Joe gloeide op, hij mocht ook iets maken, hij mocht ook de wereld schilderen, ja!

Joe gebruikte kwasten van Hitler, ze roerden in hetzelfde potje, en de schaduw van de lindeboom rustte op hen. Hitler zag hoe Joe verf op een van zijn kwasten spoot, als op een tandenborstel, en hielp hem een palet te maken. Hij rangeerde het palet van licht naar donker, van koud naar warm, met wit en blauw voorop, om een mooie lucht te maken. De halfzuster keek met achterdocht naar de twee schilderende mannen, het was wat haar betrof geen gezicht, de kleine man naast de albino-neger, en ze begreep niet waarom ze zo gelukkig waren.

Hitler maakte een gebaar naar Joe dat hij kon beginnen. Hij keek hoe Joe de haren van de kwast door de verf haalde en in één beweging naar het doek bracht. Een streek groen belandde op het wit, de verf was dik en krulde op aan weerskanten van de kwast, en Joe voelde iets in zijn lichaam wat voorheen alleen muziek kon doen. Hitler schrok van de gulzigheid van Joe, glimlachte voorzichtig en zette zich weer aan zijn eigen werk. Zelf was hij bezig een kronkelriviertje zo geloofwaardig mogelijk neer te zetten en worstelde met het perspectief van een blokhut verderop. Zijn compositie was weloverwogen, de vlakverdeling min of meer in evenwicht, de kijkrichtingen zeer aangenaam. De toets van Hitlers verf was nauwelijks zichtbaar, alsof hij met grote zorgvuldigheid de stof van de vallei op zijn doek moest aanbrengen, omdat anders alles zou vergaan. Hitlers doek sprak rust uit, vrede zelfs, en een tikkeltje liefde. Hij hoefde er nog maar weinig aan te doen voordat het werk zou zwijgen, zo stil was het. Hij ging op in zijn details, waar hij voldoening uithaalde, en pas na weer tien minuten staren in het pigment zag hij wat Joe uitspookte.

Joe’s doek was een waar slagveld. Het deed Hitler denken aan de loopgravenoorlog. Joe’s albino-ogen zagen geen geen details in de vallei, het waren vlekken, het licht prikkelde zijn ogen, en zijn hand-oog-coördinatie was een ramp, hij had groen gesmeerd waar lucht hoorde, hij had wolken geschilderd die er niet waren, hij had de berg een soort oog gegeven, maar het kon van alles zijn, het doek schreeuwde, donkerblauwe en donkerbruine lijnen maakten het tot een hel, het landschap was een skelet geworden, de vrede die daarvoor nog in de lucht hing werd een catastrofe.

Joe had plezier, Joe schilderde plezier.

Hitler was woedend. Hoe durfde deze voorbijganger zijn linnen te besmeuren met entartete kunst! Vuige, moderne rotzooi, vlak naast zijn eigen meesterwerk, duister miserabilisme waar reinheid hoort! Hitler stampvoette in het gras, Joe schrok, van niets ontaards bewust, maar had door dat zijn gastheer ontevreden was. Hij smeerde vlug met de rug van zijn hand over het doek, de grootste verfophopingen veegde hij waar nog wit te zien was, in de hoop het zo goed te maken, maar het werd alleen maar erger. ‘Deze barbaar denkt zelfs geen kwast meer nodig te hebben,’ sliste Adolf, ‘wie denkt hij wel dat hij is?’ en zijn vingers verkrampten, en voor hij over wilde gaan op de gebruikelijke tucht zag hij een traan over Joe’s wang rollen. Joe kon niet tegen ondoorgrondelijke conflicten, en veegde driftig over zijn doek, en wilde het werk het liefst met lijst en al kapot maken, in elkaar drukken, uit elkaar scheuren, maar Adolf kreeg medelijden met hem en legde een gestrekte hand in een hoek van vijfenveertig graden op zijn schouder. Ze kwamen tot rust.

Hitlers hond kwam dichterbij, hij zat aan een touw maar had speling genoeg, en Adolf aaide hem. Hij wilde dat Joe de hond ook zou aaien, maar Joe durfde niet. Joe dacht weer aan de schilderijen waarop de hond geportretteerd stond, met ontblootte tanden, en een rilling rolde over zijn witte huid. Zijn hoofd was volledig leeg, hij dacht niet aan de halfdode en gedeeltelijk weggevoerde zigeunerfamilie, hij dacht niet aan zijn vader in de Slowaakse Republiek, wist hij veel, hij had geen herinneringen aan zijn vader, hij wist niet dat zijn vader hem niet wilde omdat hij zo bespottelijk mislukt was, dat vader bang voor de duivel was geworden door zo’n demonenkind, nee, Joe had nergens last van. Zijn hoofd was telkens om de zoveel dagen weer een onbeschreven blad.

Hitler zag dat Joe de hond niet wilde aaien en niet meer op zijn doek was geconcentreerd, en hij vroeg zich af wat er met deze witte neger aan de hand kon zijn. Wat was dit voor man? Hitler had nog nooit zo’n exemplaar gezien, hij kon ‘m moeilijk plaatsen, zijn afkomst was een raadsel. Kon hij maar met hem communiceren! Hij voelde liefde voor Joe, gebaarde naar hem dat ze een stukje moesten wandelen en Joe volgde braaf.

Tijdens de wandeling vroeg onze gehandicapte held zich af wie deze charismatische, gepassioneerde man is. Iets in dit goed verzorgde mens trok hem aan. Hij wilde hem niet aanraken, de affectie was niet lichamelijk, maar hij voelde zich simpelweg veilig bij hem. Trots vaderfiguur Adolf stapte vrolijk voort over de bospaadjes, niet wetend hoe erg de wereld in de fik stond, in feite net zo in zichzelf gekeerd als onze verloren negerzoon, en langzaam viel de schemering in het avondland. Ze trokken terug naar de Berghof voor een stamppot zuurkool.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s