Joe en de Duitsers

3

Dat Joe plots vegetarisch werd, was een groot probleem. Er was alleen vlees, en hier en daar verlepte bosvruchten, maar verder niets. Brood, fruit en groente hadden ze al tijden niet meer gezien. Het hert was veel te groot voor het gezin en hoe gulzig ze ook aten, ze moesten een groot gedeelte achterlaten, want ze konden geen grote hompen vlees meezeulen. Het paard wilde geen half geraamte op zijn rug. Elke dag zouden ze een dier moeten doden, en ze moesten een oplossing vinden om Joe daarvan te voeden.

Ze hoopten dat Joe de volgende dag alles was vergeten, maar in tegendeel. Joe was, met het hoofd dat hij had, gaan nadenken. Hij wilde niet alleen geen vlees meer, hij weigerde alles wat uit het bos kwam. Ook hoefde hij geen water meer. Alles in de natuur moest blijven zoals het was, en Joe had niets nodig. Voor het eerst sinds de oorlog was Joe een grotere zorg voor de familie dan de Duitsers waren.

Ze hadden overigens het onwaarschijnlijke geluk dat ze nergens Duitsers tegenkwamen, en slechts de sporen van en verhalen over deze verschrikkingen meemaakten. Uiteengescheurde families, platgebrande dorpen, opgehangen verraders, doffe ellende. Joe had er geen oog voor, en ze vermoedden dat hij naast alles ook nog kleurenblind was, want Joe gedroeg zich alsof de lucht nog blauw was en het gras nog groen en de mensen nog bloosden.

De intellectueel was geschokt door Joe’s plotselinge vegetarisme. Hij moest lachen om de absurditeit, en had gedacht dat het snel zou veranderen, maar de absurditeit bleef. Vader en dochter schudden hun hoofd, en tenslotte ging moeder met hem praten.

Ze wilde niet vertellen wat ze gezegd had, ze glimlachte bescheiden, maar die avond at Joe weer mee.

Ze kwamen op een punt dat ze geen andere mogelijkheid zagen, ze maakten een plan om helemaal naar Salzburg reizen, om vanaf daar de trein naar de Slowaakse Republiek te nemen, via Wenen naar Bratislava en verder. Het was gevaarlijk, omdat ze dan dichtbij Duitsland kwamen, maar Duitsland was overal, en het was de enige manier waarop ze zo lang mogelijk in de bossen en de bergen konden reizen. In de trein zou Joe misschien veilig zijn, al is de trein niet de veiligste manier om te reizen voor een zigeunerfamilie met een Joodse albino-neger.

De reis liep wonderbaarlijk voorspoedig en Joe hielp weer met jagen en ving dieren met zijn blote handen en lachte terwijl hij ze stuk maakte en bracht ze vrolijk naar de familie. Hij vond het ook leuk om het vuur op gang te krijgen en de ingewanden uit het dier te trekken. De familie hoefde steeds minder te doen, vader en moeder hadden zelfs tijd over om met de kindertweeling te spelen, die de aandacht wel konden gebruiken. De intellectueel schreef bij dag – en vuurlicht in zijn al overvolle notitieboekje, de dochter zwom in elk meer dat ze tegenkwam, al had moeder haar verboden zo onvoorzichtig te zijn, maar het was alsof engelen de omstanders op afstand hielden. Ze zagen zelfs nauwelijks burgers of andere vluchtenden. Ja, hier en daar in de verte, tekenen van leven, van angst, soortgelijke situaties als die van hen, alleen dan zonder albino-negers. Het leek alsof de wereld vergaan was, maar er waren nog geluiden, en sommige lijken die ze troffen waren nog vers, maar niets zou ooit meer hetzelfde zijn. Moeder dacht terug aan hun oorspronkelijke zigeunerkamp, een kamp van zeventig man met dagelijkse bijeenkomsten en vele feestjes. Dat was voorbij. Ze speelden zelfs geen muziek meer, al droeg de dochter haar viool nog een lange tijd mee, tot ie in het vuur ging. De intellectueel speelde af en toe op zijn mondharmonica, en de tweeling trommelde op elkaar, maar Joe kon het niet aan (het leek in de verste verte niet op jazz), en sindsdien maakten ze geen muziek meer.

Pas in het Wenger Wald ging het mis. Het was niet ver meer naar Salzburg, maar helaas, een leger aan SS-ers, daar waren ze dan, strak aan de amfetamine-tabletten, gewapend met tanks en vlammenwerpers, en vanaf hoger land waren ze al te zien, nog geen tweehonderd meter verderop, en ook te horen, want ze zongen uit volle borst om elkaar wakker te houden en het eeuwige rijk te vieren. Vader en moeder schrokken zich wezenloos, het pure ras plots zo dichtbij, en de kinderen waren zich nog van geen gevaar bewust, en Joe had er sowieso niets van meegekregen, maar moeder slaakte een kreet, en vader stond verstijfd, starende naar het naderende onheil. Het was het paard dat hen verried. Het dier steigerde en hinnikte, waarschijnlijk rook hij het gevaar, en ondanks het Duitse gezang en de rijdende tanks hoorden de Duitsers het gehinnik. Vader liet het paard los en het schoot ervandoor. De tweeling die erop zat viel er af, eentje in het gras en de ander met zijn hoofdje op een steen. Paniek. Joe bleef een tel staan, de verschillende interpretatiemogelijkheden sloegen hem lam, dit had hij nog nooit gezien, en moeder rende naar het jongetje dat op de steen viel, en vader hielp de in het gras liggende kind weer overeind, die over zijn knie wreef, en keek toen naar het kindje dat met zijn hoofd op de steen viel, die gilde als een gemartelde, en dat hielp niet mee, want de Duitsers kwamen hun kant op. Moeder stelpte de wond, bloed was overal, en vader hield zijn hand voor de mond van het kind. De zus klampte zich aan moeder vast, samen zaten ze over het kind gebogen, en de intellectueel keek om zich heen, zoekend naar een uitweg. Maar de Duiters waren inmiddels nog geen voetbalveldlengte van hen vandaan, en vluchten had geen zin, ze moesten zich overgeven. Er klonkt een knal, en de intellectueel zag hoe een SS-er hun paard in de heup had geschoten, en even later klonk er nog een, het paard was dood. Joe schrok en besloot weg te rennen. De intellectueel zag zijn witte huid en witte haar door de bomen schieten, en Joe verdween uit het zicht. Het kind stopte met huilen, en toen de ouders omhoog keken stonden de Duitsers voor hun neus. De SS-ers, wakker en strak in vorm, keurig in oorlogspak, grijnsden bij deze fijne vondst. Vader en moeder tilden allebei een kind op. Vader hield zijn hand van het kindermondje en moeder bleef de wond deppen.

De Duitsers vroegen lachend (in het Duits) of de familie soms op vakantie was richting Duitsland. De familie zei niets terug. Ze vroegen of er nog meer van hun soort hier rondliep. De intellectueel kon Duits, hij had Kafka, Dostojevski en Nietzsche in het Duits gelezen, en antwoordde dat er verder niemand was. Hij had kunnen zeggen dat er nog een Joodse albino-neger rondliep, maar ach. De leider van de SS-ers, gehuld in een mooie lange jas, liep naar de ouders en aaide het jongetje zonder bloed over het hoofd. Hij keek de vader aan, maar de vader bleef naar de grond kijken. Deze Sturmbannfuhrer tilde met zijn wijsvinger het hoofd van vaders zigeunerhoofd op, pakte zijn pistool en schoot hem door het voorhoofd. Vader zakte door zijn knieen en moeder gilde en viel op de grond naast hem neer en samen met de kinderen vormden ze een zielig groepje. De manschappen barsten in lachen uit. Moeder kreeg een kogel in haar achterhoofd en het gezonde kind werd aan iemand in een jeep gegeven, samen met de dochter, die wilde slaan en krabben en bijten, maar de amfetamine-verslaafde sturmmannen pakten haar stevig beet en bonden haar zo vast dat ze het kind kon vasthouden maar verder niet kon bewegen. De intellectueel stond erbij alsof hij al dood was, er waren altijd duizenden gedachten, maar zijn hoofd faalde nu, juist nu het erop aankwam, hij kon zich niet tegen het kwaad verzetten, noch iets goeds doen, hij kon zich slechts overgeven. Hij liet zich als een zak aardappelen beetpakken en werd door een opengeslagen zeil een konvooiwagen ingegooid. Het kind met de wond lieten ze achter, die zich overigens al niet meer bewoog.

Joe stond ondertussen met zijn enkels in de Weissenbach, zonder te weten dat het zo heette, en wist zich geen raad met de nieuwe wereld, waarin geen familie meer was, maar slechts een dood paard en gemene mannen, en hij wilde niet meer, hij wilde weg, stoppen, ophouden, en hij sloot zijn ogen. Hij hield zijn ogen zeker een minuut stijf op elkaar en concentreerde zich op het water dat tegen zijn enkels en in zijn schoenen liep. Het water was koud en dat was prettig. Na de minuut opende hij weer zijn rode ogen, het verse licht deed hem duizelen, en hij merkte dat hij in de zon stond, hij werd zwak, en even dacht hij dat hij moest huilen, maar ontdekte plots dat hij honger had. Hij stak de rivier over waar het gemakkelijk kon en liep verder in de richting die hem het beste leek.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s