Erasmus over Christenen en heidense Literatuur.

Erasmus heeft er zijn levenswerk van gemaakt om zowel de breuk tussen de wereld der klassieken en het Christendom, als die tussen de christenen onderling, te voorkomen of te herstellen. Zijn leven en werken illustreren de paradox van het Christendom: in de gebondenheid aan de mens ligt de mogelijkheid voor het steeds nieuwe getuigenis, maar ook het gevaar voor verstarring en verstikking van het wezenlijke.

Als wij de godsdienst van Erasmus in zijn levende werkelijkheid willen zien, moeten wij de wetenschappelijke verhandelingen laten rusten en het boekje van de Colloquia ter hand nemen. Hierin schetst hij hoe een voorbeeldig Christen zou leven (wakker word, bidt, naar de kerk gaat, naar school, aan Jezus denkt, dankbaar is, op de terugweg weer naar de kerk, en een gewetensonderzoek als dagelijkse praktijk, et cetera):erasmus

‘En als ik soms merk dat mijn gedachten afgeleid worden, lees ik enkele psalmen of een andere vrome tekst die mijn geest verhindert af te dwalen.’

Erasmus legt de nadruk op het herhaaldelijk vernieuwen van de voornemens, op de keuze van de mensen met wie men omgaat, op de strijd tegen de ledigheid.

Maar toch blijft hij niet strikt bij het afgebakende van het vrome, niet alleen in de kerk en gebed: ‘Aan de heilige Schrift moet men altijd het soevereine gezag toekennen, maar het gebeurt niet zelden, dat ik op iets stoot dat de oude heidenen, zelfs de dichters, gezegd of geschreven hebben, en dat zo zuiver, zo heilig, zo goddelijk is, dat ik niet kan geloven dat niet een of andere goede hemelse invloed hun hart bewogen heeft, toen zij dat opschreven. Misschien waait de geest van Christus verder uit dan wij zouden denken.’

‘Ik zou dan ook nog liever de hele Duns Scotus en enige van zijn gelijken zien verdwijnen dan de boeken van Cicero alleen of van een Plutarchus… Niet dat ik al wat van de eersten kom veroordeel, maar ik voel dat de laatsten mij beter gemaakt hebben, als ik hun geschriften neerleg, terwijl ik, na de anderen gelezen te hebben, op de een of andere wijze koeler sta tegenover de ware deugd en meer geneigd ben om te twisten. Vrees dus niet ons voor te leggen wat jij gevonden hebt…’

‘Daarom heb ik, naar het mij toeschijnt, bij de heidenen nooit iets gelezen dat zo zozeer van toepassing is op de ware christen als wat Socrates tot Crito zegt, kort nadat hij de gifbeker gedronken had: ‘Ik weet niet of God onze werken zal goedkeuren. Zeker, wij hebben getracht hem te behagen… En ik heb toch goede hoop dat hij deze pogingen met goedheid zal bezien.’ Deze man wantrouwt dus wat hij gedaan heeft, en toch, gezien de geneigdheid van zijn ziel gehoorzaam te zijn aan de goddelijke wil, vat hij een goede hoop op, dat God, in Zijn eigen goedheid, zijn poging om goed te leven goedgunstig zal zien…’

 

 

Bron: Louis Bouyer, Erasmus

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s