Maarten ’t Hart over Marcel Proust.

‘Proust schijnt een heel duidelijke scheiding der geesten teweeg te brengen: men ergert zich aan hem of men bewondert hem mateloos.proust

De reden waarom zoveel mensen met zo duidelijk ergerniswekkende bewondering over Proust spreken is, denk ik, gelegen in het feit dat diezelfde bewonderaars ook een fase hebben doorgemaakt waarin zij Proust niet bewonderden maar vervelend vonden. En soms denk ik wel eens dat bepaalde bewonderaars nog steeds in die fase verkeren maar dat niet willen toegeven; ze verheerlijken Proust maar het lijkt wel of ze nooit verder zijn dan Du coté de chez Swann want ze schrijven slechts over de befaamde Madeleine en over het inslaap vallen van Proust. (*Ik heb zelf alleen Un amour du Swann gelezen)

Er is geen enkele roman in de wereldliteratuur te vinden waarbij zo onevenredig veel over de eerste paar honderd bladzijden is geschreven. Alsof de rest niet bestaat! Ze bestaat wel maar is niet of slecht gelezen. En dat is misschien niet eens zo onbegrijpelijk. Proust is namelijk, als men hem voor de eerste maal begint te lezen, ronduit vervelend. Ellenlange zinnen die vergeefs naar hun slot lijken te zoeken, dichtbedrukte bladzijden zonder een sprankje dialoog, lange uitweidingen, zo op het oog nietszeggend en vaak onbegrijpelijk, weinig feiten en veel stemming, overstelpend veel beeldspraak en nauwelijks een verhaal – hoe moet men dat verwerken? Als men maar koppig volhoudt komt men langzaam in een stemming waarbij men het gevoel heeft dat er nooit iets geschreven is dat de kwaliteit en de diepgang ervan evenaart. Bovendien scherpt dit proza je ontvankelijkheid voor indrukken. Na Proust zijn de gewoonste dingen bijzonder geworden. A la recherche du temps perdu is een kunstwerk dat de schoonheid van het bestaan op overtuigende wijze verheerlijkt en je daarmee verzoent.

Dat Proust een moeilijk toegankelijk schrijver is komt omdat hij de meest uitgesproken representant is van de idealistische romanschrijver. Het woord idealist gebruik ik hier niet in de zin van idealen hebbend maar in de filosofische betekenis: de werkelijkheid die wij ervaren in slechts een onvolledige en gebrekkige afspiegeling van de ideale werkelijkheid die wij slechts in onze geest kunnen vinden. Tegenover de idealist staat de realist Roger Martin du Gard. Al hoor je weinig over zijn Les Thibault, het is één der toppunten van de moderne wereldliteratuur en welhaast de volmaakte tegenpool is van A la recherche, hoewel beide boeken en beide schrijvers ook veel gemeen hebben. Maar Martin du Gard is de meest realistische van alle realisten en Proust de meest idealistische van alle idealisten en daarom representeren deze twee figuren die tegenstelling het duidelijkst en kan men, juist door het werk van beiden te bestuderen en te vergelijken, een veel helderder beeld van hen krijgen.

Het onderscheid tussen de twee typen auteur heeft zijn weerslag op allerlei aspecten van hun werk. De idealist zal vaak, soms zelfs altijd in de ik-stijl schrijven; de realist bij voorkeur niet. De idealist  verwerkt veel minder dialoog in zijn werk dan de realist. De idealist bezondigt zich vaak aan essayistische uitweidingen of aan uitspraken die niet rechtstreeks in verband staan met het verhaal. De idealist is humoristischer, komischer dan de realist. De idealist is geneigd tot het gebruik van beeldspraak.

Het is uitermate karakteristiek van Proust om een metafoor in een metafoor te verwerken. De stijl van Proust bestaat bij de gratie van beeldspraak, ze is voortdurend beeldspraak en wat maakt dat men op de lange duur zo vermoeid wordt, zo oververzadigd. Proust moet men in heel kleine hoeveelheden genieten. Heel kenmerkend voor de idealist is ook de betekenis van de kindertijd waar altijd weer op wordt teruggegrepen.

Maar de idealist is uiteindelijk altijd op zoek naar die staat waarin men onbevangen reageerde op prikkels uit de buitenwereld, ongestoord gelukkig was en zich omgeven wist door de koesterende warmte van bescherming biedende ouders, kortom: de kindertijd. De idealist is meestal een exuberant stilist en zijn werk wordt vaak als experimenteel en vernieuwend ervaren maar de idealist is in politiek opzicht haast altijd conservatief. De realist is een sober stilist, zijn werk wordt ten tijde van het ontstaan als verouderd aangemerkt. Toch doorstaat het werk van de realist de tand des tijds beter dan dat van de idealist omdat sober proza minder snel veroudert dan experimenteel proza. Vaak laat de idealist zich ook verleiden tot beschrijvingen van verschijnselen die in werkelijkheid onmogelijk kunnen gebeuren. Het surrealisme ligt bij hem altijd op de loer. De realist zal dat nooit doen. Gelukkig heeft Proust nooit zaken en gebeurtenissen beschreven die in werkelijkheid niet kunnen gebeuren maar voor het overige is hij een uitgesproken idealistische romanschrijver. Het lijkt wel of wij een idealist onder een vergrootglas zien. Proust staat wel heel ver af van het realisme, ook in filosofische zin. Zelf zegt hij: ‘Ik had me er rekenschap van gegeven dat alleen de lompe, oppervlakkige en onjuiste manier van waarnemen alles in het uiterlijke legt, terwijl alles in de geest berust.’ Toch was Proust een uitermate scherp observator en juist dat verleent zijn, vanuit een volstrekt idealistische conceptie geschreven roman, een heel sterke spanning. Bij Proust is de werkelijkheid tot stoorzender geworden omdat ze zo goed doorkomt.

Zulke weerloze, voortdurend met zich zelf bezig zijnde ik-figuren zij heel bijzonder in de romanliteratuur. Gek eigenlijk, want dit is toch het meest fundamentele en sterkst beleefde onderscheid dat denkbaar is: de tegenstelling tussen het eigen ik en al het andere. Zodra die tegenstelling als vreemd, als onoverbrugbaar dan tenzij door de herinnering wordt ervaren, ontstaat literatuur als A la recherche du temps perdu.

Hoe langer je je met dit boek bezighoudt, des te duidelijker wordt het voor je dat alles met alles samenhangt, dat elke episode, elke uitweiding, elke gebeurtenis betrokken is op al het andere, het andere herhaalt en becommentarieert, op allerlei niveaus. De conclusie van het boek: vriendschap noch liefde noch enige andere menselijke betrekking over houding hebben waarde. Elke betekenis daaraan toegekend is een illusie; de mens is volstrekt eenzaam en volstrekt onbereikbaar voor anderen. De enige verlossing die mogelijk is uit dit isolement is in het individu zelf, in de geest zelf te vinden en het enige dat verlossing kan schenken is de schoonheid, gematerialiseerd in de vorm van kunst.

Het werk is een vorm van solipsisme: zoals de vogel eenzaam fluit om het ogenblik vast te houden, zo moet het individu zich zelf via een soortgelijk gedrag zien te redden. Men kan dergelijke gedachten ook wel vinden bij Conrad of van Oudshoorn of de dichter Leopardi. Maar niemand voor Proust heeft dat idee ooit zo overtuigend onder woorden gebracht, én omdat hij zo ongehoord knap en zo adembenemend subtiel menselijke verhoudingen heeft beschreven als een vorm van ‘gevangen’ zijn, én omdat hij zo geweldig goed in staat was de meest eenvoudige ervaringen te beschrijven op een wijze dat het lijkt alsof men in de hemel is. Prousts roman zal nooit iemand tot opstand, engagement, kritiek of maatschappij of politieke richting brengen (vandaar dat Sartre zoveel bezwaard had tegen dit boek). Proust maakt je zo ontvankelijk voor de schoonheid van zelfs de meest lelijke dingen dat je, hem lezend en daarna over hem nadenkend, alleen nog maar in staat bent te proberen de dingen op dezelfde wijze te ervaren.’

Bron: Maarten ’t Hart, ‘De som der Misverstanden’

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s