Nietzsche op Zolder.

Alles bij elkaar zou ik in mijn jonge jaren niet hebben uitgehouden zonder Wagners muziek. Want ik was tot  Duitsers veroordeeld. Als iemand onder een ondraaglijke druk uit wil komen, heeft hij hasjiesj nodig. Wel, ik had Wagner nodig. Ik zoek vandaag de dag nog naar een werk waar een even gevaarlijke fascinatie van uitgaat, ik zoek in alle kunsten tevergeefs. Al het zeldzame van Leonardo da Vinci verliest zijn betovering bij de eerste toon van de Tristan. De wereld is arm voor hem die nooit ziek genoeg is geweest voor deze ‘helse wellust’. Wagner is de grote weldoener van mijn leven, datgene waarin wij verwant zijn, namelijk dat wij dieper hebben geleden, ook aan elkaar, dan mensen van deze eeuw ook maar zouden kunnen, zal onze namen eeuwigdurend samenbrengen. Ik zal nooit erkennen dat een Duitser zou kunnen weten wat muziek is. Wat men Duitse VR_12_6_p9_Nietzsche-pianomusici noemt, de grootste voorop, zijn buitenlanders, Slaven, Kroaten, Italianen, Nederlanders- of joden. Ik zelf ben altijd nog Pool genoeg om voor Chopin de rest van de muziek cadeau te geven.

Dat iemand wordt wat hij is, veronderstelt dat hij er geen flauw idee van heeft wat hij is. Vanuit dit gezichtspunt hebben zelfs de misgrepen van het leven hun eigen zin en waarde, de tijdelijke zijwegen en omwegen, de verschillende vormen van vertraging en bescheidenheid, de ernst, verspild aan taken die voorbij de taak liggen.

Voor een taak als een herwaardering der waarden waren misschien meer vermogens vereist dan er ooit in een enkeling bij elkaar hebben gewoond. Ik herinner me niet dat ik ooit ergens moeite voor heb gedaan, – er is in mijn leven geen spoor van enige worsteling te bespeuren, ik ben het tegendeel van een heroïsche natuur. Iets ‘willen’, naar iets ‘streven’,  een ‘doel’, een ‘wens’ voor ogen hebben – dat ken ik allemaal niet uit ervaring. Ik wil niet in het minst dat iets anders wordt dan het is; ook ik zelf wil niet anders worden. Maar zo heb ik altijd geleefd. ik heb nog nooit wensen gehad. Iemand die na zijn vierenveertigste kan zeggen dat hij zich nooit druk heeft gemaakt om eer, om vrouwen, om geld!

Als ik mezelf afmeet aan wat ik kan, om maar niet te spreken van wat straks na mij komt, een omwenteling, een opbouw zonder weerga, dan maak ik meer dan enige sterveling aanspraak op het woord grootheid, vergelijk ik mezelf nu met de mensen die tot nog toe als meest vooraanstaande mensen zijn geëerd, dan springt het verschil in het oog. Ik reken deze zogenaamd ‘meest vooraanstaanden’ niet eens tot de menselijke soort, – ze zijn voor mij het uitschot van de mensheid, misbaksels van ziekte en wraakzuchtige instincten: ze zijn niets dan heilloze, in wezen ongeneeslijke onmensen die wraak nemen op het leven… Ik wil daar het tegendeel van zijn: het is mijn voorrecht de fijnste neus voor elk blijk van gezond instinct te hebben.

Voor mijzelf is het nog niet eens het moment, sommigen worden postuum geboren. – Ooit zal de behoefte opkomen aan instituten waarin men leeft en doceert zoals ik leven en doceren opvat. Maar het zou in volkomen tegenspraak zijn met mijzelf als ik vandaag al oren en handen voor mijn waarheden zou verwachten: dat de mensen vandaag niet horen, dat ze het aangereikte niet weten aan te nemen, is niet alleen begrijpelijk, het lijkt mij zelfs juist.

Het lijkt mij een van de zeldzaamste voorrechten die iemand zichzelf kan bezorgen, wanneer hij een boek van mij ter hand neemt, – ik neem zelfs aan dat hij zijn schoenen erbij uittrekt, – om van laarzen maar  te zwijgen. Toen Doctor Heinrich von Stein zich er eens eerlijk over beklaagde dat hij geen woord van mijn Zarathustra begreep, zei ik hem dat dat logisch was: zes zinnen daarvan begrijpen, dat wil zeggen doorleefd hebben, verhief iemand tot een hogere trap van sterfelijkheid dan ‘moderne’ mensen zouden kunnen bereiken.

En om er maar meteen voor uit te komen, ik ben nog meer in mijn schik met mijn niet-lezers, mensen die noch mijn naam noch woord filosofie ooit hebben gehoord.

Ik ken enigszins mijn kwaliteiten als schrijver; in bepaalde gevallen heeft men mij ook te kennen gegeven hoezeer gewenning aan mijn geschriften de smaak ‘bederft. Men kan andere boeken gewoon niet meer verdragen, en zeker geen filosofische. Wie echter door de hoogte van zijn streven met mij verwant is, beleeft daarbij ware extases van nieuwe ontdekkingen: want ik kom uit hoogten die geen vogel ooit bereik heeft, ik ken afgronden waar nog geen voet in verdwaald is. Men heeft mij gezegd dat het onmogelijk is een boek van mij uit handen te leggen, – ik zou zelfs de nachtrust verstoren… Er bestaat absoluut geen trotser en tegelijk geraffineerder soort boeken: – ze bereiken af en toe het hoogste wat op aarde bereikt kan worden, het cynisme; je moet je er meester   van maken zowel met de tederste vingers als met de dapperste vuisten.

Dat in mijn geschriften een psycholoog aan het woord is die zijn gelijke niet kent, is misschien het eerste inzicht waartoe een goede lezer komt – een lezer zoals ik hem verdien.

De moraal heeft alle psychologica tot in de grond vervalst – vermoraliseerd – zodat het tot die beschamende onzin kon komen dat de liefde iets ‘onegoïstisch’ moet zijn… Je moet flink voor jezelf opkomen, je moet stevig op beide benen staan, anders kun je helemaal niet liefhebben. Dat weten de vrouwtjes tenslotte maar al te goed: onzelfzuchtige, zuiver objectieve mannen kunnen wat hun betreft naar de duivel lopen… Mag ik in dit verband het vermoeden uitspreken dat ik de vrouwtjes ken? Dat behoort bij de dionysische gave die ik heb meegekregen. Gelukkig ben ik niet van plan met te laten verscheuren: een echte vrouw verscheurt wanneer zij liefheeft… Ik ken die beminnelijke maenaden… Ah, wat een gevaarlijk, sluipend, onderaards roofdiertje! En zo gezellig bovendien! De vrouw is onuitsprekelijk veel kwaadaardiger dan de man, ook slimmer; goedheid bij een vrouw is al een vorm van ontaarding… Emancipatie van de vrouw’- dat is de instinctieve haat van de niet geslaagde, dat wil zeggen voor baren ongeschikte vrouw tegen de wel geslaagde, – de strijd tegen de ‘man’ is altijd alleen maar middel, voorwendsel, tactiek. Ze willen, door zichzelf te verheffen, als ‘vrouw op zich’, als ‘vrouw van hogere orde’, als ‘idealiste’, het algemene niveau van de vrouw omlaag halen; geen zekerder middel daartoe dan gymnasiale vorming, broek en politiek stemvee-recht. Eigenlijk zijn de geëmancipeerden de anarchisten in de wereld van het ‘eeuwig-vrouwelijke’, de niet-succesvollen, wier diepste instinct wraak is…

De geboorte van de Tragedie

De tragedie is juist het bewijs dat de Grieken geen pessimisten waren: Schopenhauer zat er hier naast, zoals hij er altijd naast zat.

Een ja-zeggen zonder voorbehoud, ook tegen het lijden, ook tegen de schuld, ook tegen alle problematisch en vreemde elementen van het bestaan… Dit laatste , gelukkigste, exuberant-overmoedigste ‘ja’ tegen het leven is niet alleen het hoogste inzicht, het is ook het diepste, door waarheid en wetenschap ten stelligste bevestigd en staande gehouden. Het ja-zeggen tegen het leven zelfs nog in de vreemdste en moeilijkste situaties; de wil tot leven die zich verheugt in zijn eigen onuitputtelijkheid, terwijl hij zijn hoogste typen offert – dat noemde ik dionysisch, dat zag ik als brug naar de psychologie van de tragische dichter.

In deze zin heb ik het recht mezelf als de eerste tragische filosoof te zien – dat wil zeggen als de uiterste teenstellig en antipode van een pessimistisch filosoof. Voor mij bestond deze transformatie van het dionysisch principe in een filosofisch pathos niet: de tragische wijsheid ontbreekt, – ik heb tevergeefs naar sporen ervan gezocht zelfs bij de grote Grieken van de filosofie, die van de twee eeuwen voor Socrates. In het geval van Heraclitus bleef ik twijfelen, in wiens nabijheid ik me trouwens toch warmer, beter voel dan waar ook.

Oneigentijdse Beschouwingen

Het leven lijdt aan de ontmenselijkte raderwerk en mechanisme, aan de ‘onpersoonlijkheid van de arbeider, aan de valse economie van de ‘arbeidsverdeling’. Het doel gaat verloren. Op een hoogte waar ik niet meer met woorden maar met bliksems spreek -, o hoe ver was ik daar toen nog van verwijderd! – Maar ik zag het land, – ik vergiste me geen moment in weg, zee, gevaar – en welslagen! Die grote rust bij het doen van beloften, dat vol zelfvertrouwen uitkijken naar een toekomst die niet alleen maar belofte mag blijven! Hoe ik de filosofie zie, als een verschrikkelijk explosief waarvoor alles gevaar loopt, hoe mijn begrip ‘filosoof’ mijlenver afstaat van dat waarin zelfs een Kant nog is inbegrepen, om maar niet te spreken van de academische ‘herkauwers’en andere professoren in de filosofie: daarover geeft dit geschrift op onschatbare wijze uitsluitsel, zelfs als wordt toegegeven dat hier eigenlijk niet ‘Schopenhauer als opvoeder’, maar zijn tegendeel, ‘Nietzsche als opvoeder’, aan het woord komt. Het is het geheim van mijn intelligentie veel dingen tegelijk en op veel plaatsen geweest te zijn, om één ding te kunnen komen. Ik moest een tijd lang ook geleerde zijn.

Menselijk, al te menselijk

Elke manier van leven, de ongunstigste omstandigheden, ziekte, armoede – alles leek me te prefereren boven die onwaardige ‘onzelfzuchtigheid’ waarin ik in eerste instantie terechtgekomen wat als gevolg van onwetendheid, van jeugd, en waarin ik in een later stadium was blijven hangen uit traagheid, uit zogenaamd ‘plichtsgevoel’.

Aldus sprak Zarathoestra

Er is misschien wel nooit iets verricht vanuit een even grote overvloed aan energie. Mijn begrip ‘dionysisch’ werd hier hoogste praktijk; daaraan afgemeten ziet alle andere menselijke bedrijvigheid er arm en beperkt uit. Dat een Goethe, een Shakespeare geen ogenblik op de hoogte van deze ontzaglijke hartstocht zou kunnen ademhalen, dat Dante, vergeleken met Zarathoestra, enkel een gelovige is en niet iemand die de waarheid eerst schept, een geest die de wereld regeert, een noodlot-, dat de dichters van de Veda priesters zijn en zelfs niet waardig de schoenveters van een Zarathoestra los te knopen, dat is allemaal nog het minste en geeft geen idee van de distantie, van de azuren eenzaamheid waarin dit werk leeft. Zarathoestra heeft een eeuwig recht te zeggen: ‘ik trek kringen om mij heen en heilige grenzen; steeds minder lieden beklimmen met mij steeds hogere bergen, – ik bouw een gebergte van steeds heiliger bergen. Men stelle de geestkracht en de kwaliteit van alle grote zielen bij elkaar op: alle tezamen zouden niet in staat zijn één redevoering van Zarathoestra te produceren. De ladder waarop hij opstijgt en afdaalt is ontzaglijk; hij heeft meer gezien, meer gewild, meer gekund dan enig ander mens. Men weet tot nu toe niet wat hoogte, wat diepte is; men weet nog minder wat waarheid is. Deze openbaring van de waarheid bevat geen moment waarop reeds vooruitgelopen is, waar ook maar één van de grootsten uit zichzelf achter is gekomen. Er bestaat geen wijsheid, geen doorvorsing van de zielen, geen kunst van het spreken voor Zarathoestra.

Voorbij Goed en Kwaad

Het was God zelf die als slang aan het eind van zijn dagtaak onder de boom der kennis ging liggen: zo ontspande hij zich ervan God te zijn… Hij had alles te  mooi gemaakt… De duivel is niets anders dan de lediggang van God op elke zevende dag…

Hoe je met de hamer filosofeert

Wil men zich kort een idee ervan vormen hoe voor mij alles op zijn kop stond, dan beginne men met dit geschrift. Wat op het titelblad afgod heet, is heel eenvoudig wat tot nu toe waarheid werd genoemd.

Het geval Wagner

Ik voel het zelfs als een plicht, de Duitsers eens te vertellen wat ze allemaal op hun geweten hebben. Alle grote misdaden van vier eeuw hebben zij op hun geweten! En altijd om dezelfde reden, vanwege hun diepgewortelde lafheid tegenover de realiteit, die ook lafheid tegenover de waarheid is, vanwege hun instinct geworden onwaarachtig, vanwege hun ‘idealisme’. Luther, deze rampzalige monnik, heeft de Kerk en, wat duizendmaal erger is, het christendom gerestaureerd op het moment dat het de nederlaag had geleden… Leibniz en Kant – die twee grootste remschoenen op de intellectuele rechtschapenheid van Europa!

De Duitsers zijn in de geschiedenis van het kennen met louter twijfelachtige namen vertegenwoordig, ze hebben altijd alleen maar ‘onbewuste’ valsemunters voortgebracht (- op Fichte, Schelling, Schopenhauer, Hegel, Schleiermacher is dat woord even goed van toepassing als op Kant en Leibniz). Ze hebben nooit een zeventiende eeuw van hard zelfonderzoek doorgemaakt zoals de Fransen. Je komt bij een Duitser, bijna net als bij een vrouw, nooit tot op de bodem, hij heeft er geen: dat is alles. Maar daarmee ben je nog niet eens plat. – Wat in Duitsland ‘diep’ heet, is nu net die onzuiverheid van instinct jegens zichzelf waar ik het nu over heb: men wil geen duidelijkheid over zichzelf. De Duitsers zijn voor mij onmogelijk. Als ik me een type mens voor de geest haal dat tegen al mijn instincten ingaat, dan wordt het altijd een Duitser.

Je vernedert je door de omgang met Duitsers: de Duitsers nivelleert… Laat ik mijn omgang met enkele kunstenaars, vooral met Richard Wagner, buiten beschouwing, dan heb ik geen goed moment met Duitsers doorgebracht… De Duitsers hebben eigenlijk helemaal geen voeten, ze hebben alleen benen…. De Duitsers hebben er geen enkel idee van hoe vulgair ze zijn, maar dat is juist de superlatief van vulgariteit, – ze schamen zich niet eens alleen maar Duitsers te zijn… Ze praten over alles mee, ze beschouwen zichzelf als beslissend, ik ben bang dat ze zelfs over mij hebben beslist…

Ik maak voor niemand een uitzondering, in de laatste plaats voor mijn vrienden. Ik zeg elk van mijn vrienden recht in zijn gezicht dat hij het nooit de moeite waard gevonden heeft ook maar een van mijn geschriften te bestuderen; ik merk aan de kleinste dingen dat ze niet eens weten wat hierin staat.

Waarom ik een noodlot ben

Ik ken mijn lot. Eens zal mijn naam met de herinneringen aan iets ontzaglijks verbonden zijn, – aan een crisis zoals er nog nooit een op aarde is geweest, aan de diepste gewetensbotsing, aan een beslissend gebeuren, opgeroepen tegen alles wat tot dan toe geloofd, vereist, geheiligd was. Ik ben geen mens, ik ben dynamiet. ik wil geen gelovigen, ik denk dat ik er te boosaardig voor ben om aan mezelf te geloven, ik praat nooit tegen massa’s… ik ben verschrikkelijk bang dat ik op een dag heilig word verklaard: het zal duidelijk zijn waarom ik dit boek voordien uitgeef, het moet verhoeden dat er misbruik van mij wordt gemaakt… Ik wil geen heilige zijn, liever nog een grappenmaker…

Mijn genie schuilt in mijn neusgaten… ik ben vertrouwd met zulke hoge opgaven dat tot nu toe niemand daar enig benul van heeft gehad; pas sedert mijn optreden is er weer hoop. Ik ben verreweg de vreeswekkendste mens die tot nu toe heeft bestaan; dit sluit niet uit dat ik ook de weldadigste zal zijn.

Niemand nog heeft de christelijke moraal als onder zijn niveau ervaren: daar was een hoge positie, een verre blik, een tot nog toe volkomen ongehoorde psychologische diepte en afgrondelijkheid voor nodig. Er bestond voor mij nog helemaal geen psychologie. Hier de eerste te zijn kan een vloek zijn, het is in elk geval een noodlot.

Moraal als vampirisme; als de list het leven zelf uit te zuigen, bloedarm te maken. Wie de moraal blootlegt, heeft tegelijk de onwaarde van alle waarden blootgelegd waaraan men gelooft of heeft geloofd; hij ziet in de meest vereerde, zelfs in de heilig verklaarde mensentypen niets eerbiedwaardigs meer, hij ziet er het noodlottigste soort misgeboorten in…

Het hiernamaals, ware wereld, werd bedacht om de enige wereld die er bestaat van haar waarde te ontdoen, om geen doel, geen zin, geen taak voor onze aardse realiteit over te houden! Het begrip ‘zonde’ bedacht tezamen met het bijbehorende folterinstrument, het begrip ‘vrije wil, om de instincten in verwarring te brengen, om het wantrouwens jegens de instincten tot tweede natuur te maken! In het begrip ‘onzelfzuchtigheid’,  ‘zelfverloochening’ het eigenlijke kenmerk van decadentie: het aangetrokken worden door het schadelijke, het je plaats niet meer kunnen vinden, de zelfvernietiging. Heeft men mij begrepen?

Tot zover. Nietzsche mag plaats nemen op zolder, bij Calvijn en Kierkegaard. En van Nietzsche raad ik  aan, na het lezen van zijn autobiografie, om de Genealogie der Moraal te lezen. En dan vooral het derde essay over de kunsten. Maar die wordt hier niet meer behandelt, want op zolder betekent weg van de rest.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s