Moraal kan niet zonder God

De scheiding tussen geloof en filosofie is radicaal en definitief gebleken. Volgens Luther bijvoorbeeld waren de enige ware morele regels de goddelijke geboden. Zij hebben geen verdere rechtvaardiging dan het feit dat ze door God zijn uitgevaardigd. Goed en slecht zijn gedefinieerd in termen van wat God al dan niet gebiedt.

Wanneer ik niet genoeg heb aan de Bijbel, en nog steeds met vele vragen rondloop en graag de mening van andere denkers wil, lees ik dan de Bijbel niet goed? In de Bijbel staat immers dat ik, ondanks alle vertwijfeling, moet vertrouwen op God. Dat ik bij Hem mag schuilen. Vanuit mijn omgeving is mijn zelfstandigheid in die zin ook niet gestimuleerd, alles werd doorverwezen naar de enige zoekmachine die mocht bestaan. Maar een blind geloof, in onwetendheid, zoals ik het in de reformatie soms versta, is voor mij geen geloof. Een enorm vertrouwen, een absurde hoop en verlangen, dat zeker! Maar ik wil niet zonder rede kruipen op de starheid van de smalle weg.

De invloed van de reformatie is duidelijk voor wie een staalkaart maakt van de belangrijkste moraalfilosofen van de vroege moderniteit. Het gaat om protestantse schrijvers die het eerste autonome moraalfilosofisch denkwerk verrichten. De belangrijkste auteurs in de ontwikkeling van het natuurwetsdenken –Hobbes en Locke – waren protestant. Ook in Duitsland werd het moraalfilosofisch denken bepaald door protestanten: Kant was lutheraan van piëtistische snit en ook Hegel was een (weliswaar onorthodox) lutheraan. Verschillende filosofen zoals Descartes, Spinoza, Leibniz en Kant hebben nog geprobeerd om religie, wetenschap en filosofie met elkaar te verzoenen, maar ze konden niet vermijden dat de opkomst van de moderne wetenschap en de ‘mechanisering van het wereldbeeld’ die hiermee gepaard ging, toch zijn uitgemond in een vrij radicale vervreemding van wetenschap en geloof.1295375-84f0acaa4bad77274c0544d1ef7a243a

Er zijn dus wel mensen die vechten voor het huwelijk. Maar als de moraal seculier is geworden, heeft God er dan niets meer mee te maken?

Locke en Voltaire zijn in dat opzicht interessante voorbeelden. Ondanks hun antikerkelijke opvattingen argumenteren ze dat de moraal niet zomaar zonder God kan. Locke stelt dat de mens goddelijke bevelen moet gehoorzamen omdat God als schepper over zijn schepselen beschikt. Mensen zijn Gods eigendom die hun schepper moeten gehoorzamen en dienen. De religieuze moraal valt samen met de natuurlijke rede. Voltaire schrijft: “Als God niet bestond moest Hij worden uitgevonden; maar de hele natuur roept ons toe dat Hij bestaat.”

God wordt van de troon gedreven en de mens zelf neemt zijn plaats in. De nederige, gelovige, gehoorzame mens wordt in de moderniteit vervangen door het ‘geëmancipeerde’ beeld van de kantiaanse Godmens.

Als de autonomie van het subject centraal staat, wint de moraal aan motiverende kracht, maar verliest ze aan objectiviteit, en omgekeerd –als de autonomie van de morele werkelijkheid centraal staat – wint ze aan objectiviteit, maar verliest ze de motiverende kracht. Sinds de moderniteit is al heel wat moraalfilosofische inspanning geleverd om dit dilemma op te lossen.

En nu probeer ik te accepteren dat de morele objectiviteit bestaat, om vervolgens te kijken hoe dichtbij ik kan komen door de autonomie van mijn subject voorop te stellen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s