Sartre en Walging.

Een paar fragmenten uit ‘Walging’ die het een en ander sterk weten te illustreren.

‘Nog nooit heb ik zo sterk als op dit moment het gevoel gehad dat ik een open boek ben, dat ik niets méér ben dan mijn lichaam en een paar vederlichte gedachten die uit mijn lichaam omhoogstijgen als luchtbellen. Ik construeer mijn herinneringen aan de hand van mijn heden. Eenzaam en hulpeloos ben ik in het heden neergepoot. Tevergeefs probeer ik het contact met het verleden te herstellen: het lukt me niet aan me zelf te ontkomen.’

Om het toch maar weer op het religieuze te betrekken; wanneer ik me in een dergelijke toestand bevind en mezelf geconfronteerd zie met het niets, dan zou God kunnen zeggen; inderdaad, er is niets, behalve Ik, waar jij bij hoort. En dat is dan mijn troost. Wat heb ik daar aan of hoe bewerkstellig ik zulk geluk? Of ben ik er te zwak voor? Het figuur in Walging ziet het in ieder geval niet zo zitten.

‘En ik zelf – lamlendig, futloos, obsceen, vegeterend, terwijl sombere gedachten door mijn hoofd maalden – ook ik was overbodig. Gelukkig voelde ik het niet, ik wist het mijn verstand, maar toch maakte het idee me onzeker, omdat ik bang was dat ik het zou gaan voelen. Ik dacht er vaag over een einde aan mijn leven te maken, om ten minste één zo’n nutteloos bestaan te vernietigen, maar zelfs mijn dood zou overbodig zijn geweest. (…) Ik was overbodig, tot in de lengte van dagen.’sartre2

Hoe weinig het leven voor kan stellen, de dood is helemaal overbodig. Wie weet kom ik in dit onderzoek wel niet tot een conclusie, aangezien de tweeledigheid zo enorm sterk is. Maar denkende aan (bijvoorbeeld, onder andere) Kierkegaard moet het goed komen. En aan Jezus, die het beste met me voor heeft. Ook Sartre begrijpt de tweestrijd.

Het mensenleven is nu de geschiedenis van de nooit op te lossen spanning tussen de vrijheid en de mislukking, tussen bewustzijn en zijn, tussen zelfverheerlijking en zelfverlies. En deze worsteling loopt uit op niets. Dat is de zinloosheid van de zin van het leven. En dat wel op dubbele wijze. Want de spanning en de inspanning van het existeren is gericht op een onbereikbare illusie: het zelf-zijn van het bewustzijn, dat nooit een zijn, maar een niet-zijn is. En het laatste van alles is de dood, die – in de uitblussing van het bewustzijn, van het niet-zijn – wel het zijn brengt, doch dan het zijn als eeuwige materie, omdat de vrijheid vernietigd is. De laatste overwinning is niet aan de mens, maar aan het absurde zijn, aan de chaos, de zinloosheid.’

Evenals er in de leer van Heidegger de antithese is tussen het eigenlijk en het oneigenlijk zijn, zo kent ook Sartre dezelfde tegenstelling tussen de authentieke mens, die trouw aan zijn vrijheid existeert, en de doorsnede mens, die in vrijwillige ontrouw aan z’n vrijheid van het existeren en dus van het echte mens-zijn vervallen is, die verraad aan zichzelf pleegt, omdat hij niet luistert naar de openbaringsstem, die uit de angst en de walging hem tot zichzelf terugroept. Deze doorsneemens heeft de worsteling tussen vrijheid en zijn opgegeven. Hij heeft z’n subjectiviteit prijsgegeven en in schuldige onverantwoordelijkheid zichzelf verobjectiveerd, zich neergelegd bij het contingent zijnde van z’n lichaam, z’n verleden, z’n situatie en bij het absurde zijn van de vele dingen, van de cultuurproducten, van de samenleving, van de medemens, van de publieke opinie en van het Godsgeloof. Hij is de verrader van het heden en de vernieler van de toekomst. Hij heeft geen tijd meer, omdat hij zich met het chaotische zijn verenigt.

Misschien is het goed om dit onderzoek te zien als een greep uit de strijd van de niet op te lossen spanning, met als doel niet het absurde, zinloze wel of niet –zijnde, maar God en het eeuwig Zijnde. Want wat kan de eeuwigheid anders zijn, dan een definitief ‘zijn’, tegenover dit constante worden in het nog-niet-zijnde.

Met deze woorden wil ik afsluiten, maar ds. Spiers zegt er graag nog iets over.

‘In het authentieke leven is alle godsgeloof uitgebannen. God kan niet bestaan. Want het geloof in Hem is in flagrante strijd met de soevereine vrijheid van de mens, die in zijn machtsheerlijkheid op weg is naar de illusie om zelf God te worden. Het laatste woord, dat over dit antichristelijk humanisme van Sartre kan gesproken worden, is het woord van Hem, die alleen God is: die in hemel zetelt lacht (Psalm 2 : 4a).‘

Ik sluit af. De authentieke humanist ziet wellicht zijn vrijheid in strijd met een God en de conservatieve Christen weet misschien zijn authenticiteit niet in een hemels licht te plaatsen. Ik zoek nog even verder.

Advertenties

2 thoughts on “Sartre en Walging.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s