Nietzsches laatste dagen en een kleine evaluatie.

In het laatste jaar van z’n leven is hij bezig met de herwaardering van alle waarden. Het is onthullend dat hij schrijft: ‘alleen de christelijke praktijk, een leven zoals hij die aan het kruis stierf het geleefd heeft, is christelijk. Ook nu nog is zo’n leven mogelijk, voor bepaalde mensen zelfs noodzakelijk: het echte, het oorspronkelijke christendom zal te alle tijde mogelijk zijn’ (A 39). Maar niet voor sterke geesten, want het is afhankelijk van geloof. ‘Het geloof maakt zalig: dus liegt het’ (A 50). Hier spreekt de aartspuritein Nietzsche, de man die denkt dat ‘(het) de grootst mogelijke argwaan tegen ‘waarheid’ oplevert als er lustgevoelens meespreken bij de vraag ‘wat is waar?’ Bovendien schrijft hij eerder in hetzelfde boek, midden in een vernietigende aanval op de ethica van Kant: ‘Een handeling waartoe het levensinstinct dwingt, beschikt in de lust over haar bewijs dat zij een juiste handeling is; en deze nihilist (kant) met zijn christelijk-dogmatische ingewanden beschouwde de lust als tegenargument. Wat is funester dan werken, denken en voelen zonder innerlijke noodzaak, zonder dieppersoonlijke keuze, zonder lust? Als automaat van de ‘plicht?’(A 11) Hoewel er geen sprake is van een duidelijke tegenstelling, zien we hier weer de kenmerkende spanning tussen de Nietzsche die vastbesloten is alles te aanvaarden zonder een spier te vertrekken, en Nietzsche de eerzuchtige hedonist. In z’n laatste jaar zegt hij ‘nee’ als nooit tevoren. Men zou zelfs kunnen zeggen dat zijn bevestigingen, en dit is het tragische aan hem, slechts ontkenningen van ontkenningen zijn. Zijn geloof – en het is opmerkelijk om hem ook maar enigszins positief te horen praten over geloof – is dat het mogelijk is iemand te zijn die niet eerst hoeft te ontkennen. Desondanks zou hij nooit die persoon kunnen zijn, en naarmate hij meer dialectische radslagen maakt, iedere keer weer met een schitterende en fascinerende behendigheid, des te verder raakt hij verwijderd van dat ideaal. De enige Dionysus met wie we hem kunnen identificeren, is die welke gekweld wordt door een mateloze innerlijke verscheurdheid. (Tanner)Nietzsche-1

Uiteindelijk is het levensverhaal van Nietzsche behoorlijk triest. Het leven van Calvijn daarentegen doet me erg goed, maar word ik ook niet vrolijk van. Moet ik die hele vrolijkheid vergeten? Nietzsche laat ik nog niet naar boven, maar ik beloof dat ik op hem terug kom. En dan kies ik een van zijn werken uit, waarschijnlijk z’n autobiografie Ecce Homo. Daar later meer over. Schopenhauer staat voor de deur.

 

Voor nu beschrijf en leef ik de onderste verdieping en kijk ik dagelijks omhoog naar de zolder om te weten waar het allemaal over gaat en naar toe moet. Calvijn zit nog vrijwel alleen op zolder en de vraag is of er überhaupt filosofie bij moet. Van Calvijn hoeft het niet. Wat wil ik? Wat gebeurt er sowieso, ook al wil ik het niet? In ieder geval zijn mannen als Kant en Nietzsche al op de trap, en volgen er nog meer, maar ik moet niet mijn deur plat laten lopen zoals ik normaal doe. Ik ga me er voor het eerst, op directe wijze, mee bemoeien. We gaan nog even verder met het inleidende werk van Störig, maar ik zal spoedig naar originele werken overgaan en  het gesprek opzoeken. Op naar Schopenhauer!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s