Oordeelskracht en Deugdleer

De kritiek van de zuivere rede en de kritiek van de praktische rede is genoemd, maar hetgeen wij gevoel en fantasie noemen kende tot dan toe nog geen plek in de kritieken. Het is de ‘Kritiek van de oordeelskracht’ die het onderneemt deze leemte aan te vullen. Kant stelt dat oordeelskracht het vermogen is het bijzondere onder het algemene te denken.

Over de ‘Kritiek van de Oordeelskracht’ valt veel te zeggen. Ik heb hier verschillende onderdelen over behandelt maar wil in deze blog slechts stil staan bij een punt:

“De werkzaamheid van de oordeelskracht bewijst nog eens te meer de voorrang van het praktische boven het theoretische in de mens. De theoretische rede leert ons slechts de strenge, men zou kunnen zeggen blinde, wetmatigheid van alle gebeuren. De praktische rede stelt ons in staat, ja dwingt ons, niettemin in ons handelen zo te gedragen, alsof alle gebeuren op een hoger (theoretisch niet in te zien) zedelijk einddoel was gericht.”

Volgens mij hoef ik daar niets meer aan toe te voegen.

Voor zover mijn zeer beknopte verhaal over Kants kritieken. Het grappige is dat hij zijn kritieken niet als zijn werkelijke filosofie zag, maar als noodzakelijke voorarbeid, het vrij maken van het arbeidsveld en het leggen van een solied fundament – al is het waar dat hij, bij gebrek aan geschikte voorstudies van anderen, het grootste deel van zijn leven en van krachten daaraan had moeten opofferen.

Kant

Je zou dus kunnen zeggen dat hij stierf op het moment dat hij pas echt kon filosoferen, alsof je voor de voetbalwedstrijd de warming-up zolang volhoudt tot het donker is geworden.

Wat ik op dit moment interessanter vindt dan de kritieken, is zijn deugdleer. Die gaat over de ‘plicht tegenover jezelf’ wordt behandelt, wat een innerlijke tegenspraak lijkt. Kant stelt als eerste gebod ‘Kent uzelf!’ Met het doel tot zedelijke zelfkennis welke tot in de moeilijk te doorgronden diepte (afgrond) van het hart weet door te dringen, wat de aanvang van alle wijsheid is. Overigens is ook de ‘godsdienstplicht’, de plicht tot de kennis onzer plichten als goddelijke geboden – daar immers de eer van God uit onze eigen rede voortkomt – een plicht jegens zichzelf.

Ook worden er in de deugdleer nog de plichten tegenover anderen behandelt, de plichten van de liefde. Kant is hier zeker niet sober in. Hij stelt dat men wakker en vrolijk moet zijn in de navolging van de plichten. Wat men niet met vreugde, maar louter uit verplichting, heeft geen innerlijke waarde; het wordt niet bemind.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s